| 29895 |
handvormpan |
handpan:
haŋkpan (L270p Tegelen)
|
Dakpan die met de hand is vervaardigd. Bij de handvormpannen kan een onderscheid gemaakt worden in drie modellen: het Wassenaars model met 22 pannen per m2, het Utrechts model met 18 pannen per m2 en het Reeser model met 16 pannen per m2. [monogr.]
II-8
|
| 29809 |
handvormsteen |
handvorm:
hant˲vǫrǝm (L270p Tegelen),
haŋk˲vǫrǝm (L270p Tegelen)
|
Volledig met de hand bewerkte en gevormde baksteen. Tegenwoordig verstaat men onder een handvormsteen ook een steen die op dezelfde wijze wordt gevormd als de handsteen vroeger, maar waarbij de bewerkingen volledig of gedeeltelijk machinaal gebeuren - Schuddinck, pag. 108. [N 30, 52b; N 98, 161; monogr.]
II-8
|
| 29157 |
handweefgetouw |
weefstoel:
wē̜fštōl (L270p Tegelen)
|
Het weefgetouw dat bediend wordt met de hand. De afmetingen hiervan zijn nogal verschillend; gewoonlijk is de lengte 2,5 m tot 3 m, de breedte ongeveer 2 m en de hoogte tot aan de draagarmen 2,5 m (Grothe, pag. 338). Zie afb. 54 en 55. [N 39, 1b; N 39, 1a; N 5A øIŋ, 9c; monogr.]
II-7
|
| 31751 |
handzaag, sint-jozefzaag |
handzaag:
hant˲zāx (L270p Tegelen),
haŋk˲zāx (L270p Tegelen)
|
Handzaag, waarvan het blad vanaf het handvat geleidelijk smaller uitloopt. De handzaag wordt voor alle voorkomende zaagwerkzaamheden gebruikt. Zie ook afb. 12. [N 53, 2; N G, 23a; monogr.; N 33, 330; L 8, 101, add.; div.]
II-12
|
| 33147 |
handzeef |
zeef:
zēf (L270p Tegelen)
|
De grove zeef waarmee het zaaigraan wordt gewonnen. Er komen twee hoofdtypen voor: de ronde handzeef van ongeveer 80 cm doorsnede met een opstaande rand van ongeveer 10 tot 15 cm. Ouder is wel de rechthoekige houten bak met een bodem van gaas (heel vroeger van fijne gevlochten wilgetenen) die aan een koord werd opgehangen aan een balk in de schuur. In Haspengouw is dit type het oorsponkelijke. In Oost-Haspengouw noemt men het de ries; ook bij het type wan in West-Haspengouw wordt uitdrukkelijk door de zegslieden vermeld dat het hier om een grote vierkante graanzeef gaat. Zie afbeelding 15. Bij het type zij, zijg daarentegen vermeldt men dat dit woord doorgaans de keukenzeef aanduidt, of de vergiet, gebruikt voor melk en soep. [N 14, 38b, 41a, 42a, 43a en 44; JG 1a, 1b, 1c, 2c; L 8, 118; S 45; monogr.]
I-4
|
| 28520 |
hangen van de zwerm |
hangen:
hangen (L270p Tegelen)
|
Het bevestigd zijn van de zwerm aan een tak, boomstam, struik of anderszins. [N 63, 34b; Ge 37, 104]
II-6
|
| 30079 |
hangende muur |
uit het lood hangen:
ūt˱ ǝt luǝt ~ (L270p Tegelen)
|
Muur die naar buiten overhelt. Wanneer zo'n muur in Q 19 met behulp van het schietlood werd gecontroleerd, zei men: 'het lood hangt vrij' ('ǝt lwǫat heŋk ˲vrij'). [N 31, 11a; N 31, 11c; monogr.]
II-9
|
| 29985 |
hangende steiger |
hangsteiger:
haŋ[steiger] (L270p Tegelen),
zweefsteiger:
žwē̜fštęjgǝr (L270p Tegelen)
|
Steiger bestaande uit winkelhaakvormige ramen die met behulp van touwen of haken aan het dak zijn vastgemaakt. De ramen rusten tegen de muur van het bouwwerk en dragen de planken waarop de metselaar staat. Zie voor de fonetische documentatie van de woorden en woorddelen '(steiger)' en '(stelling)' hetlemma 'Steiger'. [N 32, 8a]
II-9
|
| 19373 |
hangslot |
hangslot:
hang sjlo:t (L270p Tegelen),
hangsjlao:t (L270p Tegelen),
hangsjlâô:h (L270p Tegelen),
kluister:
kloester (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
klūstər (L270p Tegelen),
(korte oe).
kloester (L270p Tegelen),
slot:
sjlâô:t (L270p Tegelen)
|
hangslot [N 07 (1961)]
III-2-1
|
| 18979 |
hansworst |
flabbedeus:
flabbedei’jes (L270p Tegelen),
flares:
cf. RhWb. II, kol. 560, s.v. "Flares": "Geck, läppischer Kerl (wer auffällig gekleidet ist u. sich auffällig benimmt)
fla’res (L270p Tegelen)
|
een zich dwaas of onnozel aanstellend persoon
III-1-4
|