| 31752 |
handvat van de handzaag |
handvat:
hant˲vat (L270p Tegelen)
|
De houten handgreep van de handzaag. [N 53, 2a]
II-12
|
| 31822 |
handvat van de schaaf |
greep:
grēp (L270p Tegelen),
knop:
knup (L270p Tegelen)
|
Het handvat dat, vooral bij langere houtschaven zoals de reischaaf, boven op het schaafblok bevestigd is. Zie ook afb. 35. [N 53, 55a]
II-12
|
| 33314 |
handvat van de sikkel |
steel:
štēl (L270p Tegelen)
|
Korte houten gedeelte waaraan het mes bevestigd is. Hiermee hield men de sikkel vast. [N 18, 79a; monogr.]
I-5
|
| 29938 |
handvat van de troffel |
handvat:
haŋk˲vat (L270p Tegelen),
steel:
stē.l (L270p Tegelen)
|
Het handvat van de troffel kan in hout of kunststof zijn uitgevoerd. [N 30, 7c; monogr.]
II-9
|
| 33040 |
handvat van de zicht |
handvat:
haŋk˲vat (L270p Tegelen),
kruk:
krø̜k (L270p Tegelen)
|
De steel van de zicht bestaat uit één stuk hout. Het bovenste deel ervan is scherp gebogen. Dit deel dient als handvat waarmee men de zicht hanteert. Zie de algemene toelichting bij paragraaf 4.2 en afbeelding 5. Vergelijk de lemma''s over de handvatten aan de steel van de zeis (3.2.4 - 3.2.7) in aflevering I.3. In de volgende plaatsen werd hetzelfde antwoord gegeven als voor "steel" (zie het lemma ''steel van de zicht'', 4.3.2): K 278, L 164, 288a, 296, 314, 320, 327, 330, 378, 381, 381b, 422, 426, 429, 431, P 175, Q 14, 15, 33, 71, 90, 93, 96, 99, 121, 197, 198b, 201, 207.' [N 18, 70b; JG 1a, 1b; A 14, 9; L 45, 9; monogr.]
I-4
|
| 33157 |
handvat van het strosnijmes |
handvat:
haŋkfat (L270p Tegelen)
|
Het houten gedeelte van het strosnijmes. Vergelijk ook het de lemma''s ''steel van de zeis'' (3.2.3) in aflevering I.3 en ''steel van de zicht'' (4.3.2)in deze aflevering). Zie afbeelding 18, c. [N 18, 103b]
I-4
|
| 31701 |
handvatten van de trekzaag |
handvatten:
haŋk˲vatǝ (L270p Tegelen)
|
De twee in het verlengde van het zaagblad van de trekzaag bevestigde handvatten. [N 18, 128a; N 50, 17b]
II-12
|
| 19566 |
handveger, stoffer |
handveger:
harde borstel niet bekend
hankvèger (L270p Tegelen),
hoare ~
hankvèger (L270p Tegelen),
zachte borstel niet bekend
hankvèger (L270p Tegelen),
ßt‰ve ~
hankvèger (L270p Tegelen)
|
het voorwerp waarmee vloeren en vloerkleden stofvrij worden gemaakt met stugge haren [DC 15 (1947)] || het voorwerp waarmee vloeren en vloerkleden stofvrij worden gemaakt met zachte haren [DC 15 (1947)]
III-2-1
|
| 25056 |
handvol |
handvol:
ham⁄pel (L270p Tegelen)
|
handvol, zoveel als een hand vult
III-4-4
|
| 32934 |
handvol hooi, pluk hooi |
bosje:
bøskǝ (L270p Tegelen),
busseltje:
bȳsǝlkǝ (L270p Tegelen)
|
De kleine hoeveelheid hooi die men met de handen kan oppakken. Soms wordt uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de pluk hooi die men in de hand pakt en de hoeveelheid die men in de armen kan nemen, bij voorbeeld in L 295: een "tuske" is zoveel als men in de handen kan nemen, en een "ervel" is zoveel als men in de armen kan nemen; in Q 200, 247 en 247a is dit respectievelijk een "floes" en een "wis". Soms geven diminutiva aanleiding tot klankschilderende woorden; ze staan achter in het lemma bijeen. [N 14, 116; N 14, 131 add.; monogr.]
I-3
|