| 32195 |
handbijl |
handbijl:
hant˱bīl (L270p Tegelen),
handbijltje:
haŋk˱bilkǝ (L270p Tegelen),
kapbijl:
kap˱bīl (L270p Tegelen),
kapbijltje:
kap˱bīlkǝ (L270p Tegelen)
|
Een licht bijl met korte steel die wordt gebruikt om uit ruw hout naven, spaken en rongen te bekappen en hun eerste vorm te geven. Zie ook afb. 179. [N G, 41]
II-12
|
| 28154 |
handboor |
bonboor:
boŋbǭr (L270p Tegelen),
centerboor:
sɛntǝrbǭr (L270p Tegelen)
|
Kleine boor met een handgreep en met een op een schroefpunt uitlopend boorijzer, die met één hand wordt rondgedraaid. De handboor wordt gebruikt om een klein gaatje te boren op de plaats waar het bomgat en het tapgat moeten worden aangebracht. Het gaatje vormt het centreerpunt voor de grotere boren waarmee het uiteindelijke gat wordt gemaakt. Zie afb. 78 en de volgende twee lemmata. Soms wordt ook het zwikgat met de handboor aangebracht. Zie het lemma ɛzwikgatɛ.' [N E, 48b]
II-12
|
| 31934 |
handboor, fretboor |
boor:
bǭr (L270p Tegelen),
handboortje:
haŋk˱bø̜̄rkǝ (L270p Tegelen)
|
Een kleine boor met een handgreep en met scherpe schroefdraad, die met één hand wordt rondgedraaid. Zie ook afb. 78. De handboor heeft als handvat ofwel een houten dwarsstukje, ofwel een rondgebogen metalen greep. Hij wordt gebruikt om gaten voor te boren en op plaatsen waar men met de omslagboor niet kan werken. [N 33, 132; N 53, 160b; N 53, 168; monogr.]
II-12
|
| 31940 |
handboormachine, borstboormachine |
handboormachine:
hant˱bǭrmǝšin (L270p Tegelen)
|
Boorapparaat met tandwieloverbrenging, waarbij tijdens het boren met één hand druk wordt uitgeoefend op het handvat en met de andere een hendel wordt rondgedraaid. Sommge handboormachines hebben in plaats van het handvat een plaat die tijdens het boren met de borst aangeduwd wordt. Zie ook afb. 84. [N 53, 174]
II-12
|
| 33305 |
handcultivator |
handcultivator:
haŋkkøltivātor (L270p Tegelen)
|
Handgereedschap voor het losmaken van de grond. In aflevering I.2, p.161-2 is sprake van een zware cultivator die door (paarde)tractie wordt gewogen. Het werkingsprincipe van de twee gereedschappen is echter hetzelfde. [N 18, 52; monogr.]
I-5
|
| 17661 |
handen (kindernamen) |
habbetjes:
habbekes (L270p Tegelen)
|
hand: kinderwoorden (pol, polleke, poeleke] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17660 |
handen (spotnamen) |
fikken:
fikke (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
grijpers:
griepers (L270p Tegelen),
handen als plavuizen:
heng as plavúzen (L270p Tegelen),
jatten:
jatte (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
klauwen:
klawwe (L270p Tegelen),
knoken:
knwök (L270p Tegelen),
plavuizen:
plevuuze (L270p Tegelen),
vuisten:
vuus (L270p Tegelen)
|
[N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 21519 |
handgeld |
handgeld:
hangkgeld (L270p Tegelen),
hankgeld (L270p Tegelen)
|
eerste geld dat iemand ontvangt voor zijn waren [handsgeld?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 30061 |
handhei |
heiklots:
hęjklǫts (L270p Tegelen)
|
Handgereedschap om palen in de grond te slaan. Het bestaat uit een zwaar houten blok waaraan verschillende handvatten zijn aangebracht. Zie ook afb. 26. [N 31, 5b; monogr.]
II-9
|
| 34566 |
handkar |
handwagen:
haŋkwāgǝ (L270p Tegelen)
|
Tweewielige kar die men met de handen voortduwt of trekt. Deze kar heeft twee bomen en zijplanken. [N 17, 15a; N G, 51; JG 1a + 1b; A 42, 4; monogr.]
I-13
|