| 30129 |
halfsteensverband |
halfsteensverband:
halǝfštęjns˲vǝrbant (L270p Tegelen),
halǝfštęjns˲vǝrbaŋk (L270p Tegelen)
|
Metselverband dat doorgaans wordt toegepast bij halfsteensmuren. Het bestaat uitsluitend uit strekkenlagen. De kopvoegen van een laag bevinden zich midden boven de strekken van de onderliggende laag. Zie ook afb. 34. ø̄In dit verband is de steen op zijnen platte kant en volgens zijne lengte gelegd, zoodat aan het buitenvlak van den muur enkel de streksche kant te zien isø̄ (Van Keirsbilck, pag. 400). [N 31, 24a; monogr.]
II-9
|
| 23342 |
halfvasten(zondag) |
halfvasten:
halfvaste (L270p Tegelen)
|
De vierde zondag van de vasten [haufvaste, halfvaste, körfkeszoondig]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 32987 |
halm, stengel van de graanplant |
halm:
halǝm (L270p Tegelen),
spier:
špēr (L270p Tegelen)
|
De graanhalm is de meestal ronde en gelede stengel van de te velde staande graanplant. Hier het algemene woord, dat veelal ook de benaming voor de gehele graanplant is. Een aantal termen (bv. spier, spit, ...) wordt niet alleen gebruikt voor de stengel van de te velde staande graanplanten, maar ook -en blijkens een niet gering aantal aar-opgaven wellicht nog meer- voor de geoogste en gedorste graanstengels, de strohalm; zie de toelichting bij het volgende lemma ''strohalm'' (1.3.2). Veelal zijn ze ook toepasselijk op de grasspriet (zie het lemma ''grasspriet'' (1.5) in aflevering I.3), enkele zelfs op de graankorrel (zie het lemma ''graankorrel'' (2.6) in deze aflevering). Voor een aantal plaatsen werd het tweelettergrepige ''spieren'' als enkelvoud opgegeven. Zie afbeelding 2, a. [N P, 4b; JG 1a, 1b; L 1, a-m; S 12; Wi 13; monogr.]
I-4
|
| 32315 |
halsband |
halsband:
hals˱baŋk (L270p Tegelen)
|
De band die aan beide kanten van een vat tussen kopband en buikband wordt aangebracht. De in dit lemma opgenomen benamingen duiden zowel de voorlopige als de definitieve banden op die plaats aan. Zie ook het lemma ɛsluitbandenɛ.' [N E, 22b; N E, 42]
II-12
|
| 28949 |
halsgat |
halsgat:
hals˲gāt (L270p Tegelen),
halsring:
halsreŋk (L270p Tegelen)
|
Uitsnijding voor de hals bij het colbert. [N 59, 97]
II-7
|
| 18236 |
halssnoer |
kralenbandje:
Door dames vroeger nogal graag gedragen. Vero.
krallebèndje (L270p Tegelen),
kralentoer:
Vero. [´ : sleeptoon]
krallentóer (L270p Tegelen),
snoer:
sjnoor (L270p Tegelen)
|
2. snoer van kralen of parels || halsboordje, gewoonlijk van gitten en kralen || snoer van kralen
III-1-3
|
| 33927 |
halster |
capuchon:
kapǝsūn (L270p Tegelen),
halster:
halstǝr (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
kopstuk:
kǫpštø̜k (L270p Tegelen)
|
Stel van leren riemen - eventueel touwen - of kettingen dat het paard om het hoofd heeft als het niet ingespannen is. Aan de halsterring wordt de lijn of ketting gehecht waarmee het paard in de stal of op de weide wordt vastgebonden of waarmee het wordt geleid. Op sommige plaatsen wordt de term halster ook gebruikt om het Hoofdstel of de Stalband aan te duiden. [JG 1a, 1b, 1c, 1d, 2b, 2c; N 13, 18a; N 5 A II, 59e add.; monogr.] || Tuig aan de kop van een os of een stier. [N 3A, 14b; monogr.]
I-10, I-11
|
| 21541 |
halve frank |
halve frank:
⁄ne halve frang (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
⁄nen halve frang (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
oude zilveren munt van 50 centiem [N 21 (1963)] || wit metalen munt van 50 centiem [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 21434 |
halve gulden |
halve gulden:
⁄ne halve gölde (L270p Tegelen),
⁄nen halve gölde (L270p Tegelen)
|
halve gulden, een ~ [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 25225 |
halve maan, eerste kwartier |
eerste kwartier:
ĭĕrstə kəteer (L270p Tegelen)
|
schijngestalte van de maan: eerste kwartier, halve maan [wassende maan, wassenaar] [N 81 (1980)]
III-4-4
|