| 21661 |
halen en betalen |
afhalen:
aafhaole (L270p Tegelen),
ontvangen:
òntvange (L270p Tegelen)
|
Halen en betalen wat men gekocht heeft [ik moet gaan ontvangen?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 20343 |
half- of stiefbroer |
halfbroer:
halfbroor (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
stiefbroer:
sjteefbroor (L270p Tegelen)
|
half- of stiefbroeder [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 20344 |
half- of stiefzuster |
halfzuster:
halfzöstər (L270p Tegelen),
stiefzuster:
sjteefzöstər (L270p Tegelen)
|
half- of stiefzuster [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 33477 |
half-cirkelvormig raam |
halfmaan:
halǝfmǭn (L270p Tegelen),
spinnekop:
špenǝkǫp (L270p Tegelen)
|
Een raam in de vorm van een halve cirkel met de rechte zijde aan de onderkant, meestal aan stallen. Het benoemingsmotief van de benamingen is meestal de vorm van de raampjes, soms zijn ze naar andere raampjes genoemd die dezelfde vorm hebben (van de oven of van - onbeglaasde - ventilatie-openingen in de muur of in het dak (zie o.a. het lemma "rond gat boven in de schuurgevel", 4.2.11). [N 4, 51; N 4A, 38a]
I-6
|
| 34027 |
halfbloed |
halfbloed:
halfblōt (L270p Tegelen),
koe:
[koe] (L270p Tegelen)
|
Koe van gedeeltelijk bekende afstamming. Bedoeld wordt de koe waarvan één der ouders onbekend is - dit betreft meestal de vader - of waarvan één der ouders niet is opgenomen in het stamboek. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1).' [N 3A, 3b]
I-11
|
| 18713 |
halfhemd |
borst:
bors (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
bors(t) (L270p Tegelen)
|
halfhemd, kort overhemd of los linnen borststuk dat onder de halsopeningen van het vest wordt gedragen [frontj] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18353 |
halfhoge knoopschoen? |
knoopschoen:
knoupsjoon (L270p Tegelen),
knoupsjòon (L270p Tegelen),
knoupsjóon (L270p Tegelen),
laarsje:
laerskes (L270p Tegelen),
léérskes (L270p Tegelen)
|
damesschoenen, halfhoge ~ met knopen opzij [leerskes] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18651 |
halfhoge pet met opstaand bovenstuk |
zijden muts:
zieje muts (L270p Tegelen)
|
pet met opstaand cylindervormig bovenstuk: het halfhoge model {afb} [lage zeje] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 23622 |
halfmis |
halverwege:
halverwege (L270p Tegelen)
|
Het moment waarop de mis op de helft is, wat de duur betreft [halfmis, hauvermès?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 30094 |
halfsteense muur |
halfsteense muur:
halǝfštęjns [muur] (L270p Tegelen)
|
Muur ter dikte van de breedte van de gebruikte metselstenen. Zie ook afb. 34, 35, 36, 37. Zie voor de fonetische documentatie van het woord en woorddeel '(muur)' het lemma 'Muur'. [N 31, 37a; monogr.]
II-9
|