| 23495 |
hagelkruis |
hagelkruis:
hagelkruuts (L270p Tegelen),
kruis:
kruuts (L270p Tegelen)
|
Een in het veld geplaatst kruis ter bescherming van de oogst tegen hagelscha-de [hagelkruus, hagelkruuts?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 25145 |
hagelsteen, hagelkorrel |
hagelkorrel:
’nen hagelkorrel (L270p Tegelen),
hagelsteen:
hagel-sjtein (L270p Tegelen),
hagelsjtein (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
hagelsjteinn (L270p Tegelen),
hagelstein (L270p Tegelen)
|
hagelsteen, hagelkorrel [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 29735 |
hagen |
schranken:
šraŋkǝ (L270p Tegelen)
|
De vormelingen opstapelen op het hagebed. De stenen worden daartoe schuin en kruisgewijs op hun kant gezet, kop op kop. Op deze wijze kan de wind gemakkelijk tussen de openingen spelen en het droogproces versnellen (Schuddinck, pag. 102). De woordtypen vlaggen (P 48) en hallen (L 315, L 355) duiden waarschijnlijk het stapelen van stenen onder rietmatten of in een haaghut aan. Zie ook het lemma ɛrietmattenɛ.' [N 98, 101; N 98, 106; L 1a-m; L 26, 10; S 12; monogr.; N 98, 101 add.]
II-8
|
| 27379 |
hak |
hak:
hak (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
hakje:
hɛkskǝ (L270p Tegelen),
krebbertje:
krɛbǝrkǝ (L270p Tegelen),
landhak:
laŋkhak (L270p Tegelen)
|
De verhoging, al of niet geheel of gedeeltelijk van leer, onder de hiel van de voet. [N 60, 233c; N 60, 126a; N 60, 169a; L 48, 28a; L 48, 28b; L 1a-m; L 1u, 82; L 5, 50; N 7, 37b; L 29, 42; monogr.] || Werktuig om de grond los te hakken, spade met een gekromd blad. Het gereedschap had een algemeen doel en diende, behalve om te wieden, ook voor andere doeleiden, zoals het schrapen (van strooisel of mest), het egaliseren van te diep uitgereden karresporen, het aanhogen van aardappelen (vergelijk het lemma Aanaardhak), enz. Deze nevendoeleinden zijn hier en daar in de benamingen terug te vinden. [N 11, 88; N 12, 45; N 15, 4 en 6a; N 18, 37, 40 en 41; JG 1a, 1b, 1c, 2c; L 42, 40; monogr.]
I-5, II-10
|
| 18180 |
hak van een schoen |
hak:
hak (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
hakje:
hekske (L270p Tegelen)
|
hak van de schoen [N 07 (1961)] || hak van een schoen [pollevie, plevie, hiel] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 32878 |
hak van het blad van de zeis |
hak:
hak (L270p Tegelen)
|
Het brede uiteinde van het blad van de zeis, aan de zijde van de arend. Zie afbeelding 5, nummer 2. Sommige opgaven hebben betrekking niet alleen op het puntige uiteinde van de snede aan de zijde van de arend, maar op de gehele brede zijde van het blad, doorlopend tot de rug. Van een dergelijke toevoeging is sprake bij: vars 113, 115, 117, 118a, 172, 173, 176a, 179, 182, 219, 177, 186, 223, Q 73, 157a, 160, 161, 164, 166, 240; voet: L 324. [N 18, 68b; JG 1a, 1b; monogr.]
I-3
|
| 25455 |
hakbak |
hakvloot:
hakvlūǝt (L270p Tegelen),
hakvlootje:
hakvlȳǝtjǝ (L270p Tegelen)
|
De ladevormige houten bak met open voorzijde waarin het vlees fijngekapt wordt. [N 28, 114]
II-1
|
| 19827 |
hakbord |
hakvlootje:
hak˃vlyətjə (L270p Tegelen)
|
keukengereedschap: houten bakje ± 45 x 35 cm met opstaande schotjes, aan een der zijden half open, waarin bijv. groenten en vlees werden fijngehakt met een speciaal mes in ronde vorm
III-2-1
|
| 33301 |
hakken, wieden met de hak |
hakken:
hakǝ (L270p Tegelen)
|
Met een hak de grond tussen (rijen van) opgroeiende planten bewerken, met het doel deze luchtig te maken en van onkruid te zuiveren. [N 15, 5; JG 1a, 1b; monogr.]
I-5
|
| 19692 |
hakmes |
heep:
hii̯əp (L270p Tegelen),
hiəp (L270p Tegelen)
|
een in deze streken algemeen gebruikt hakbijltje, met een kort rond handvat (hich) in \'t verlengde van \'t blad || hakmes, hiep
III-2-1
|