| 32881 |
haarpad van het blad van de zeis |
haarpad:
hārpāt (L270p Tegelen)
|
De baan langs de snede van het blad van de zeis, die met de haarhamer wordt uitgeslagen. Zie de toelichting bij de lemma''s ''snede van het bland van de zeis'' en ''haren''. Zie afbeelding 5, nummer 6. [N 18, 68f; JG 2c]
I-3
|
| 17574 |
haarscheiding |
pad:
paat (L270p Tegelen),
schei:
scheij (L270p Tegelen),
sjchei (L270p Tegelen),
sjei (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
sjeij (L270p Tegelen),
scheiding:
sjcheiding (L270p Tegelen),
scheiel:
sjeijel (L270p Tegelen)
|
scheiding in het haar [scheej, streep] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 32888 |
haarspit |
bol:
bǫl (L270p Tegelen),
haarpin:
hārpen (L270p Tegelen)
|
Het haarspit is het draagbare aambeeldje waarop de zeis wordt gehaard. Het bestaat uit een ijzeren pin met een verstaalde enigszins bolle kop, die doorgaans vierkant van omtrek is en tot buiten de pin uitsteekt. Het haarspit kan in de grond worden gestoken (in het veld), of in een haarblok (op de boerderij). Om te verhinderen dat het haarblok te ver in de grond of het haarblok wordt gedreven, heeft men aan het haarspit, enkele centimeters onder de kop, een extra onderdeel vastgemaakt; dit kan bestaan uit enkele ringetjes, meestal twee of vier, een rond of vierkant plaatje, of uit twee dwarspinnetjes (spieën, die doorgaans van hout zijn). Als men het haarspit in de grond steekt, legt men vaak twee blokjes, plankjes of stenen onder de ringetjes of de spieën. De door de informanten opgegeven benamingen voor dit onderdeel van het haarspit staan achteraan in dit lemma. Zie afbeelding 7b, nummer 2. [N 18, 87, JG 1a, 1b, 1d, 2a, 2c; A 4, 28e; L 20, 28e; add. uit N 14, 131; N 18, 68f, 85 en 87; A 23, 16; Lu 1, 16; monogr.]
I-3
|
| 17581 |
haarwrong |
knot:
knoet (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
knotje:
knoetje (L270p Tegelen),
knuutje (L270p Tegelen),
knö.tje (L270p Tegelen),
tres:
tres (L270p Tegelen),
wrong:
vròng (L270p Tegelen)
|
haarwrong van een vrouw [knutje, tres, tots] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 20782 |
haas |
haas:
haas (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
haas [DC 07 (1939)]
III-4-2
|
| 22348 |
haasje-over |
bokspringen:
de oe van boek is kort.
boeksjpringe (L270p Tegelen),
Dit jongensspel wordt steeds door twee partijen met een gelijk aantal partners gespeeld. Minimaal bestaat elk groepje uit twee jongens. Dit is het minst interessant, en wordt dan ook alleen gespeeld wanneer niet meer deelnemers bij de hand zijn. Spannend wordt het pas, als elke groep uit 4 of 5 jongens wordt gevormd. Boeksjpringe wordt aldus gespeeld:
boeksjpringe (L270p Tegelen),
Zie: kinderspelen.
boeksjpringe (L270p Tegelen),
haasje-over:
haesken-euver (L270p Tegelen),
Wordt ook tegenwoordig nog gespeeld.
haesken-euver (L270p Tegelen)
|
[pag. 78: Jongensspel]. || bokspringen [SND (2006)] || Haasje over (jongensspel). || Haasje over. || Jongensspel.
III-3-2
|
| 18986 |
haast hebben |
spoeden:
sjpo’je (L270p Tegelen),
vooraan maken:
vur-aan maken (L270p Tegelen)
|
opschieten, zich spoeden || zich haasten
III-1-4
|
| 24319 |
hagedis |
ektis:
aek’tès (L270p Tegelen),
hagedis:
haegedis (L270p Tegelen),
hagedis (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
hagedis [DC 07 (1939)], [DC 17 (1949)], [Weijnen BN 06 (1939)]
III-4-2
|
| 25143 |
hagelbui |
hagelbijs:
haagelbīēs (L270p Tegelen)
|
hagelbui [DC 16 (1948)]
III-4-4
|
| 25144 |
hagelen |
hagelen:
hagele (L270p Tegelen)
|
hagelen [DC 53A (1978)]
III-4-4
|