| 20495 |
gulzig |
gulzig:
gölzig (L270p Tegelen)
|
gulzig; Hoe noemt U: Snel en onmatig in het verorberen van voedsel of drank; schrokachtig (gulzig, gruizig, vratig, slokachtig) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 19075 |
gunnen |
gunnen:
ze wuerd gegund (L270p Tegelen),
verkopen:
ze is verkog (L270p Tegelen)
|
ze wordt gegund, i.v.m. de openbare verkoping van b.v. een boerderij [de boerderij gaat af?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 31310 |
gutsbeitel |
guts:
gyts (L270p Tegelen),
gø̜ts (L270p Tegelen),
gutsbeitel:
gyts˱bęjtǝl (L270p Tegelen),
gø̜ts˱bęjtǝl (L270p Tegelen)
|
Een beitel met een blad dat in dwarsdoorsnede een meer of minder gebogen vorm heeft. De snede bevindt zich aan de holle of aan de bolle zijde van het beitelblad. De gutsbeitel wordt gebruikt voor het steken van ronde vormen en, volgens de respondent uit Rothem (Q 99*), voor het groter maken van reeds geboorde gaten. Zie ook afb. 69 en de lemmata ɛfermetgutsɛ en ɛsteekgutsɛ.' [N 47, 11a; N 53, 39a-c; A 32, 2; monogr.]
II-12
|
| 25142 |
guur, kil en schraal weer |
koud (weer):
kaad (L270p Tegelen),
Nb. Het weer in koudere jaargetijden: winkter, winjter waer.
kaat (L270p Tegelen),
koud en schuiverig:
kaat en sjŭŭverig (L270p Tegelen),
koud, nat en schuiverachtig:
Dit is een specifiek Tegelse uitdrukking!
kaat, naat, sjuuver-ègtig (L270p Tegelen),
nut:
nut (L270p Tegelen),
schuiverachtig (weer):
sjoeverechtig (L270p Tegelen),
sjuuver-ègtig waer (L270p Tegelen),
sjuverechtig (L270p Tegelen),
schuiverig (weer):
sjūūverig (L270p Tegelen),
sjūūvərig (L270p Tegelen),
zuur (weer):
zoër (L270p Tegelen)
|
huiverig, koud, guur weer [grellig, zoer, locht, schrauw] [N 22 (1963)] || nattig en koud, gezegd van het weer [kil, killig, waterkoud] [N 81 (1980)] || snijdend, droog en onaangenaam koud, gezegd van het weer [guur, onguur, stuurs] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 29733 |
haag |
dobbelhaag:
dǫbǝlhāx (L270p Tegelen),
haag:
hāx (L270p Tegelen),
heg:
hęk (L270p Tegelen)
|
Het hagebed met de daarop schuin en kruiselings opgestapelde vormelingen. Schuermans (Algemeen Vlaamsch Idioticon) merkt op pag. 169 over haag op: ø̄̄eene rij opeengestapelde ongebakken tichelstenen, die men alzoo verder laat droogen en, als het regent, met matten overdekt. Zoo zegt men: ɛde brikken of tichelsteenen staan in de hagenɛ(Limb.).ø̄̄' [N 98, 101; monogr.; L 26, 10] || Omheining van levend hout ter afpaling van een erf of een stuk land. Men kent verschillende soorten hagen onder andere beukenhaag, elzenhaag, ligusterhaag, meidoornhaag, taxushaag en vlierhaag. [N 14, 62; RND 20; Wi 9; S 13, add.; Vld.; A 25, 4a; L 1a-m; L B2, 279; JG 1b, add.; L 32, 45; monogr.]
I-8, II-8
|
| 24532 |
haagappel |
haagappel:
haagappels (L270p Tegelen)
|
kleine rode besjes aan de meidoorn [snottebelle] [N 38 (1971)]
III-4-3
|
| 29732 |
haagbed |
hagebed:
hāgǝbęt (L270p Tegelen)
|
Verhoogde strook terzijde van de baan, waarop de handdroge vormelingen werden opgestapeld om bakdroog te worden. [N 98, 100; monogr.]
II-8
|
| 24606 |
haagbeuk |
haagbeuk:
-
haagbeuk (L270p Tegelen)
|
haagbeuk (Carpinus betulus) [DC 69 (1994)]
III-4-3
|
| 29738 |
haaghut |
schopje:
šøpkǝ (L270p Tegelen)
|
Lange overkapping op palen die diende om de hagen te beschermen tegen regen. Aan de slagzijde ervan plaatste men rietmatten. Zie ook afb. 24. [N 98, 109; monogr.]
II-8
|
| 25415 |
haak waarmee men de varkensnagels verwijdert |
haakje:
hø̄kskǝ (L270p Tegelen),
nagelhaak:
nē̜gǝlhǭk (L270p Tegelen)
|
Meestal wordt hiervoor de haak gebruikt die aan de bovenkant van de krabber zit. Men gebruikt er ook wel een stuk gereedschap voor dat hiervoor bruikbaar en voorhanden is zoals de S-vormige spekhaak, trektang, mes met scherpe punt, of men rukt de nagels met de hand af. Bij de opgaven ''haak van de schel'', ''haak van de krabber'' e.d. is van de schel, van de krabber niet fonetisch gedocumenteerd. Voor de opgaven voor ''schel'', ''krabber'' e.d. zie men het lemma ''krabber''. [N 29, 36; monogr.]
II-1
|