| 32985 |
groenvoer |
groenvoer:
grø̄nvōr (L270p Tegelen)
|
De algemene benaming voor het gewas dat wordt gebruikt als voeder voor de dieren. De afzonderlijke voedergewassen worden behandeld in aflevering I.5 in de paragraaf "voedergewassen". Bij het type snijkoren wordt opgemerkt: "vroeg gezaaid koren dat in de lente als groenvoer wordt afgemaaid". Bij het type bonenkoren: "omdat erna bonen werden verbouwd"; vergelijk ook in het lemma ''masteluin'' (1.2.11), sub haverbonen. Krokken is eigenlijk voederwikke; luzerne is een klaversoort. [N 11A, 28a; N M, 14; L 48, 26; Lu 2, 26; monogr.]
I-4
|
| 21329 |
grof |
grof:
grǭf (L270p Tegelen)
|
Gezegd van een paard met zware poten. Een aantal antwoorden is opgenomen in het lemma ''zwaar paard'' (4.5.1), omdat het daar eerder thuishoort. [N 8, 64b]
I-9
|
| 17547 |
grof gebouwd |
flink:
flink (L270p Tegelen),
grof:
graof (L270p Tegelen),
gròòf (L270p Tegelen),
gróf (L270p Tegelen),
struis:
stoers (L270p Tegelen)
|
zwaar van lichaamsbouw [grof, stug, struis] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17549 |
grof gebouwde vrouw |
een goede kom-eens-voor:
eine göje kommesveur (L270p Tegelen),
machochel:
en megochel (L270p Tegelen),
mechoechel (L270p Tegelen),
(heel vroeger).
megochel (L270p Tegelen),
mokkel:
ein mochel (L270p Tegelen),
schommel:
ein sjommel (L270p Tegelen),
em sjchómmel (L270p Tegelen),
en sjómmel (L270p Tegelen),
schómmel (L270p Tegelen),
sjómmel (L270p Tegelen),
⁄n sjómmel (L270p Tegelen),
schuit:
schui:t (L270p Tegelen),
staats vrouwmens:
(= e vroumes wie e meulepaerd).
e sjtaats vroumes (L270p Tegelen)
|
fors gebouwde vrouw [megochel, schommel] [N 07 (1961)]
III-1-1
|
| 18300 |
groflinnen beenwindsel |
slijkwindel:
sjlìèjkwingels (L270p Tegelen),
šlieəkwingəls (L270p Tegelen)
|
windsels, groflinnen lappen of ~ die bij koud of nat weer en bij vuil werk met linten of knopen om de broekspijpen worden gebonden [slophooze, beenslette, beenwagge, gette, slikbagge] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 33321 |
grond waarop de boerderij staat |
hof:
hǭf (L270p Tegelen),
hoogte:
hyǝxtǝ (L270p Tegelen),
plaats:
plāts (L270p Tegelen)
|
Vaak zijn boerderijen op een natuurlijke lichte verhoging in het terrein gebouwd. Naast de meer algemene benamingen van de plek waarop het bedrijf ligt, vinden we dan ook enkele specifiek op die hoogte betrekking hebbende benamingen. Ze staan achter in het lemma bijeen. [N 5A, 74a; A 10, 1; monogr.]
I-6
|
| 33674 |
grond, aarde |
grond:
gront (L270p Tegelen),
grōŋk (L270p Tegelen)
|
De algemene benaming. [S 1, 7, 11, 42; Wi 52; R III, 5, 6, 7, 8; L A1, 150; Vld.; N 18, add.; monogr.]
I-8
|
| 33308 |
grondkrabber |
krebber:
krębǝr (L270p Tegelen),
krets:
krɛts (L270p Tegelen),
kretser:
krɛtsǝr (L270p Tegelen),
kromme reek:
krǫmǝ rēk (L270p Tegelen)
|
Haak voor het losmaken van de grond en voor het wieden. Het gereedschap heeft 3 of 4 vaak sterk gebogen tanden, die langer zijn dan de tanden van de hark; door de tanden onderscheidt de krabber zich ook van de schoffel die een mesvormig werkend deel heeft, maar voor hetzelfde doel wordt gebruikt. Hier is het materiaal uit de vragen N 18, 55-63 opgenomen waarbij niet het doel om mest te trekken is aangegeven. Bij het hier opgenomen type mesthaak is dit àndere doel, het losmaken van de grond, uitdrukkelijk aangegeven. Het materiaal geeft geen aanleiding voor een apart lemma Aardappelkrabber. Naast het voornaamste doel waarvoor dergelijke haken worden gebruikt, het loswoelen van de grond, zijn nog drie andere doeleinden en typen haken in het materiaal onderscheiden die aan het einde van lemma zijn opgenomen: 1. haak voor het schoonmaken van sloten e.d.; 2. brandhaak of weerhaak om iets op te vissen: gereedschap met zeer lange steel; het werkend deel is een (oude) riek met omgekrulde scherpe punten; het was vroeger op de boerderij voorhanden om in geval van brand het brandend dakstro weg te kunnen trekken; 3. drie-of viertand, naar de vorm benoemd, zonder enige aanwijzing voor het gebruiksdoel. [N 18, 55 - 63, behalve hetgeen is ondergebracht in het lemma mesthaak in WLD.I.1, p. 12; monogr.; add. uit JG 1a, 1b]
I-5
|
| 31854 |
grondschaaf |
grondschaaf:
groŋkšāf (L270p Tegelen)
|
Plat schaafje van hout of staal waarvan de schaafbeitel aan de onderzijde ver uitsteekt en waarmee de bodem van diepe groeven verder wordt uitgediept of zuiver geschaafd. Zie ook afb. 48. De grondschaaf wordt door de timmerman, wagenmaker en kuiper gebruikt. De timmerman werkt er onder meer de nesten mee af in trapbomen. Nesten zijn gesloten groeven in de zijstukken van trappen, waar de traptreden, stootborden etc. in worden ingelaten. Zie ook de lemmata ɛnestɛ en ɛnesten uitschavenɛ in wld II.9, pag. 149.' [N 53, 78; N G, 37b; N 55, 114 add.; A 32, 3 add.; monogr.]
II-12
|
| 24951 |
grondwater |
grondwater:
gronkwaatər (L270p Tegelen)
|
grondwater, water dat zich in de grond bevindt oa doordat regenwater door de losse bovengrond tot op een harde laag zakt [zakwater, kwelm] [N 81 (1980)]
III-4-4
|