| 30156 |
groefleger |
groefleger:
grōflēgǝr (L270p Tegelen)
|
Vlak waarop en richting waarin de natuursteen in de groeve gelegen was. In lagen of banken gegroeide natuursteen dient bij verwerking ø̄inø̄, niet ø̄tegenø̄ het groefleger geplaatst te worden. Volgens de invuller uit Q 99* was dit vooral belangrijk bij mergelblokken. Deze werden daarom altijd afgeleverd met een merkteken, een ø̄blutsjeø̄, aan de bovenkant. [N 31, 31e]
II-9
|
| 17541 |
groeien |
groeien:
grĕŭie (L270p Tegelen),
grĕŭiə (L270p Tegelen),
grø:jə (L270p Tegelen),
grø̄i̯ǝ (L270p Tegelen),
grø̜̄i̯ǝ (L270p Tegelen),
groot worden:
grōēt wĕre (L270p Tegelen),
groter worden:
grotər wɛ:rə (L270p Tegelen),
grŏəter wère (L270p Tegelen),
wassen:
wasǝ (L270p Tegelen)
|
De algemene benaming voor het groter worden van het gewas. Het oude Limburgse woord is wassen; zoals de kaart laat zien, komt de term groeien onder invloed van het Nederlands echter al in bijna heel Limburg voor. Aarden betekent eigenlijk "goed groeien, goede opbrengst laten verwachten", evenals (ge)dijen en tieren in het tweede deel van het lemma. De benaming struiken betekent "een struik vormen" in de uitdrukking "het koren is al goed gestruikt" (Q 111). De opgegeven antwoorden voor "dat gewas ''gedijt'' niet" staan achter in het lemma bijeen. [RND 124; L 32, 13; L 44, 45; monogr.; add. uit A 3, 16; L 4, 16; L A2, 374] || groeien (Je bent nog niet groot genoeg om een flesch wijn leeg te drinken, je moet eerst nog wat groeien en grooter worden.) [DC 03 (1934)] || groter worden (Je bent nog niet groot genoeg om een flesch wijn leeg te drinken, je moet eerst nog wat groeien en grooter worden.) [DC 03 (1934)]
I-4, III-1-1
|
| 25246 |
groeizaam weer |
geels:
Nb. Min of meer overvloedig (geel, geil).
gaols (L270p Tegelen),
Nb. Zie bij vraag 1c.
gaols (L270p Tegelen),
gezegend weer:
gezaegend waer (L270p Tegelen),
groeizaam (weer):
Nb. Het weer in de zomer: zomerswaer.
greujzaam waer (L270p Tegelen),
mals (weer):
mals (L270p Tegelen),
mals wéér (L270p Tegelen),
mals waer (L270p Tegelen),
vet weer:
vet waer (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
vĕt waer (L270p Tegelen),
vèt waer (L270p Tegelen),
Nb. "e"van luitse "der".
vet wéér (L270p Tegelen),
wasbaar weer:
wasbaar waer (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
groeizaam weer (in de zomer) [vet] [N 22 (1963)] || mals regenachtig weer (in de zomer) [vers, vörs] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 32597 |
groenmest |
groenbemesting:
grønbǝmęsteŋ (L270p Tegelen),
grø̄nbǝmesteŋ (L270p Tegelen)
|
Groenmest is het gewas dat gebruikt wordt voor groenbemesting. Daaronder verstaat men het verbouwen en daarna onderploegen van een groen gewas, dat in symbiose met stikstofbindende organismen leeft. De stikstof dient als meststof voor een volgend gewas. De gewassen die hiertoe dienen zijn nogal verschillend. In de navolgende plaatsen worden gebruikt: lupine K 278, 318, 357, 358, L 159a, 163, 164, 210, 211, 265, 266, 269, 269a, 269b, 270, 271, 288a, 289, 289b, 290, 291, 292, 294, 295, 299, 316, 318, 318b, 320a, 321, 321a, 322, 322a, 325, 330, 331, 332, 366, 373, 374, 377, 378, 382, 387, 416, 420, 427, 429, 430, 431, 432, P 46, 50, 51, 56, 117, 120, 176, 176b, 177, 188, 211, Q 13, 15, 20, 22, 28, 30, 33, 35, 39, 71, 72, 80, 81a, 83, 94b, 95, 96a, 96c, 97, 98, 111, 112z, 113, 117a, 156, 175, 180, 187, 193, 196, 197, 197a, 196a, 203, 204a, 253; serradella L269, 270, 294, 321, 322, 329, 330, 374; spurrie L 373, 430; wikke L 430, Q 15, 180; klaver L 294, 330, Q 20, 33, 188; boekweit L 416; rogge $$(soms gesneden of als stoppels)$$ K 358, L 265, 270, 322, 329, 362, 416, Q 20, 117a, 180; onkruid L 269, 322, Q 15, 28, 121, 158, 197, 197a, 198b. [N M, 13; N 11, 27 add.; N 11A, 29b + c; JG 1b add.]
I-1
|