| 32883 |
grasmaaimachine |
maaimachine:
mɛi̯mǝšīn (L270p Tegelen)
|
Het door één of twee paarden getrokken tweewielig werktuig uit het begin van de mechanisatie om gras te maaien. Zie afbeelding 6. [N J, 1a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-3
|
| 24158 |
grasmus |
grasmusje:
graasmöskə (L270p Tegelen),
grasrikje:
onduidelijk
graasrekske (L270p Tegelen),
grijsje:
grööskə (L270p Tegelen)
|
grasmus || Hoe heet de grasmusch? [DC 06 (1938)]
III-4-1
|
| 24159 |
graspieper |
grasmus:
graasmös (L270p Tegelen),
graspiepertje:
graaspieperke (L270p Tegelen),
taats:
táats (L270p Tegelen)
|
graspieper
III-4-1
|
| 32852 |
grasspriet |
spier gras:
špēr [gras] (L270p Tegelen),
spiertje gras:
špē.rkǝ [gras] (L270p Tegelen)
|
Stengel of halm van de grasplant; een enkel smal blaadje. Zie voor de fonetische documentatie van het woord(deel) ''gras'' het lemma ''gras''. [N P, 4a; monogr.]
I-3
|
| 19460 |
grasveld, bleekveld |
bleek:
bleͅi̯k (L270p Tegelen),
groes:
grōs (L270p Tegelen)
|
bleekveld, grasveldje bij het woonhuis || grasveldje, grasstrook
III-2-1
|
| 33673 |
graszode |
graspoes:
grāspus (L270p Tegelen),
graszode:
grāszuj (L270p Tegelen),
(mv)
grāszōjǝ (L270p Tegelen),
plag:
(mv)
plaqǝ (L270p Tegelen),
ros:
ros (L270p Tegelen),
rus:
rø̜s (L270p Tegelen)
|
Vierkant afgestoken stuk van de met gras begroeide bovengrond. Naar dialectbenamingen voor de graszode is vaak navraag gedaan getuige ook de bronnenopgave bij dit lemma. In verschillende enqu√™tes werd gevraagd naar de zode in het algemeen zowel de graszode als de heizode. De opgaven die betrekking hadden op de heizode zijn ondergebracht in lemma 3.14 ɛheizodeɛ.' [N 14, 77a; N 14, 77b; N 27, 39g; GV, K6; JG 1a, 1b; L 8, 123; L B2, 273; S 46; NE 2 II, 15; N 18, 38 add.; N 18, 40 add.; monogr.]
I-8
|
| 24161 |
grauwe klauwier |
klauwiertje:
klauwierke (L270p Tegelen)
|
grauwe klauwier
III-4-1
|
| 24162 |
grauwe vliegenvanger |
vliegenvanger:
vleegevènger (L270p Tegelen),
vliegenvangertje:
vangt vliegen op ruggen van paarden en koeien; muscicapa?
vlee’gevengerke (L270p Tegelen),
wever:
waivər (L270p Tegelen)
|
grauwe vliegenvanger || Hoe heet de grauwe vliegenvanger? [DC 06 (1938)] || vliegenvanger
III-4-1
|
| 23480 |
graven (mv.) |
graven:
graave (L270p Tegelen),
graver (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
De graven meervoud [graaf, graver, jraver, grèèver?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 34210 |
grazen |
lopen:
lǫu̯pǝn (L270p Tegelen),
weiden:
wɛi̯ǝ (L270p Tegelen)
|
Zie afbeelding 8. [N 3A, 10; monogr.]
I-11
|