| 33826 |
goed uit de weg kunnend |
vierbeens:
vērbęi̯ns (L270p Tegelen),
vlot:
flǫt (L270p Tegelen)
|
Gezegd van een paard dat goed te been is. [N 8, 64d]
I-9
|
| 33919 |
goedaardige droes |
droes:
drus (L270p Tegelen)
|
Een infectieziekte in de keelstreek die vooral jonge paarden aantast. Tussen de besmetting en het uitbreken van de ziekte verloopt ongeveer èèn week. Dan treedt koorts op, gepaard met ontsteking van het neusslijmvlies, waarbij veel slijm wordt afgescheiden, dat na enkele dagen etterig wordt. Typisch voor deze ziekte is de klierzwelling tussen de beide takken van de onderkaak; snel wordt de gezwollen klier dan week, verettert en breekt door. Gewoonlijk verloopt de ziekte goedaardig. [A 48A, 28b; N 8, 89 en 90a; N 52, 15b, 24 en 25; monogr.]
I-9
|
| 34120 |
goede vleeskoe |
soortige koe:
sǭrtegǝ ku (L270p Tegelen),
vleeskoe:
vlɛi̯sku (L270p Tegelen)
|
Breedgebouwde en goed in het vlees zittende koe. [N 3A, 141b]
I-11
|
| 23796 |
goede vrijdag |
goede vrijdag:
goije vriedaag (L270p Tegelen)
|
De vrijdag in de week vóór Pasen, Goede vrijdag [Kaarvriediech]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23792 |
goede week |
goede week:
goijwèèk (L270p Tegelen)
|
De week vóór Pasen [gooj week, kaarwèch]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 33024 |
goede- opbrengst geven |
(is goed) gekorend:
gǝkø̄rt (L270p Tegelen),
(is goed) verschaard/verschoren:
vǝrsxɛ̄rt (L270p Tegelen),
staat mals:
staat mals (L270p Tegelen)
|
Werkwoordelijke uitdrukking van het vorige lemma "de oogst levert goed op", "staat er goed voor". Zeer algemene uitdrukkingen als "(de oogst) staat goed" of "(de oogst) staat schoon" zijn hier niet opgenomen. Vergelijk ook het lemma ''groeien'' (1.1.4). [N 15, 12; monogr.; add. uit N 15, 10 en 11; L 5, 39; L 39, 39]
I-4
|
| 24958 |
golf |
golf:
golluf (L270p Tegelen)
|
golf, bolle verheffing op de waterspiegel, meestal veroorzaakt door de wind [baar, zwolp] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 24959 |
golven ww. |
golven:
golvə (L270p Tegelen)
|
golven (ww), rijzen en dalen van water [gurzelen] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 17903 |
gooien |
ketsen:
Soms wordt het ook wel zo genoemd.
ketse (L270p Tegelen),
Tegelen Wb.
ketse (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd)
ketse (L270p Tegelen),
prikken:
Veldeke (iets gewijzigd)
prikke (L270p Tegelen),
schilveren:
Veldeke (iets gewijzigd)
sjíelvere (L270p Tegelen),
smijten:
sjchmiete (L270p Tegelen),
sjmiéte (L270p Tegelen),
Tegelen Wb.
sjmiéte (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd)
sjmiete (L270p Tegelen)
|
gooien [goesje] [N 38 (1971)] || gooien; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 26 (1964)]
III-1-2
|
| 19570 |
gootsteen |
pompensteen:
pompəšteͅi̯.n (L270p Tegelen)
|
gootsteen
III-2-1
|