| 22376 |
glijbaan |
roetsjbaan:
roetsbaan (L270p Tegelen),
/
roetsbaan (L270p Tegelen)
|
glijbaan [SND (2006)] || Glijbaan op kermissen of in speeltuinen.
III-3-2
|
| 17853 |
glijden |
roetsjen:
roetse (L270p Tegelen)
|
Glijden.
III-3-2
|
| 24316 |
glimworm |
glimworm:
glimworm (L270p Tegelen),
gloeiwormpje:
gleujwörmkes (L270p Tegelen),
lichtworm:
lugworm (L270p Tegelen)
|
glimworm [ZND 18G (1935)]
III-4-2
|
| 23607 |
gloria |
gloria (lat.):
gloria (L270p Tegelen)
|
De lofzang "Gloria in excelsis..."[jloria?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 18957 |
gluiperd |
loerjanus:
loer’janus (L270p Tegelen),
luip:
cf. WNT VII, 2 s.v. "luip (III)": zie toelichting bij "luipetig
loep (L270p Tegelen),
valserik:
val’serik (L270p Tegelen)
|
gluiper, iemand met slinkse streken || vals, niet te vertrouwen persoon || valse en onbetrouwbare vent
III-1-4
|
| 18956 |
gluiperig |
achter de elleboog:
agtər dən elləbog (L270p Tegelen),
luipetig:
cf. WNT VII, 2, kol. 3253 s.v. "luipen"(met valschheid en baatzuchtige of boosaardige bedoelingen kijken, loeren, gluipen)....."het tegenwoordig deelwoord "luipend"kan als bnw. gebruikt worden voor: valsch, geveinsd
loe’petig (L270p Tegelen)
|
arglistig, vals, onbetrouwbaar || gluiperig: hij is - [DC 16 (1948)]
III-1-4
|
| 23922 |
god de vader |
god de vader:
god de vaader (L270p Tegelen)
|
God de Vader. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23426 |
godslamp |
godslamp:
godslamp (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
De godslamp, de altijd brandende olielamp vóór het tabernakel van het hoofdaltaar of sacramentsaltaar [gods-, gôds-, gaods-, godeslamp]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 29570 |
goed |
goed:
goed (L270p Tegelen)
|
De te bakken of gebakken ceramische produkten in het algemeen. [N 49, 94a]
II-8
|
| 34172 |
goed liggen |
goed:
gōt (L270p Tegelen),
goed zitten:
goed zitten (L270p Tegelen)
|
Het kalf ligt goed in de baarmoeder: de voorpoten zullen het eerst naar buiten komen. [N 3A, 51]
I-11
|