| 18687 |
glacé |
glac (fr.):
glaceé’s (L270p Tegelen),
glacé⁄s (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
leren haas:
lere haase (L270p Tegelen)
|
handschoenen van glanzend leer, glacés [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 24987 |
glad, glijdend |
glad:
glad (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
glat (L270p Tegelen)
|
glad [DC 39 (1965)]
III-4-4
|
| 33739 |
gladde ijzerdraad |
draad:
drǭt (L270p Tegelen),
ijzerdraad:
īzǝrdrǭt (L270p Tegelen),
tuindraad:
tūndrǭt (L270p Tegelen)
|
Het gladde ijzerdraad waarmee men weiden omheint. [N M, 6a; N M, 6b; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 23380 |
glas-in-loodraam |
gebrandschilderd raam:
gebranksjilderde raam (L270p Tegelen),
glas-in-loodraam:
glaas in loedraam (L270p Tegelen),
glaas in loeedraam (L270p Tegelen)
|
Een glas-in-loodraam. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 20556 |
glazig |
glazerig:
gla’zerig (L270p Tegelen),
gláázərig (L270p Tegelen)
|
glazig, wordt gezegd van aardappelen die niet kruimig zijn maar een glasachtige kern hebben || glazig; Hoe noemt U: Hard en doorschijnend, gezegd van aardappelen (schier, glazerig) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 29505 |
glazuren |
loden:
lȳ(ǝ)tǝ (L270p Tegelen),
loodselen:
lȳtsǝlǝ (L270p Tegelen)
|
Het droge, ongebakken aardewerkprodukt voorzien van glazuur. Doorgaans wordt daartoe gebruik gemaakt van loodglazuur. Deze stof wordt met water aangemaakt tot een glazuurpap, vervolgens in de glazuurmolen fijngemalen en daarna door dompelen of gieten aangebracht op het produkt. Loodglazuur is transparant, maar kan door toevoeging van kopervijlsel, ijzervijlsel of bruinsteen ook gekleurd aardewerk opleveren. Als glazuur kan ook loodmenie, een fel oranjerood poeder, worden gebruikt. Het recept voor glazuur werd in Q 95 compositie (kǫmp\zisi) genoemd. [N 49, 53a; monogr.]
II-8
|
| 29507 |
glazuurder |
loder:
lyǝjǝr (L270p Tegelen),
lȳǝtǝr (L270p Tegelen)
|
Arbeider die het kleiprodukt met glazuur insmeert. [monogr.] || De arbeider die het glazuren verricht en vroeger ook zelf het glazuur samenstelde. [N 49, 53b]
II-8
|
| 29511 |
glazuurmolen |
glazuurmolen:
glazȳrmø̄̄lǝ (L270p Tegelen),
loodmolen:
lūtmø̄̄lǝ (L270p Tegelen),
lūǝtmø̄̄lǝ (L270p Tegelen),
loodselmolen:
lȳtsǝlmø̄̄lǝ (L270p Tegelen)
|
Molen voor het bereiden van glazuur in de pannen- en steenfabrieken. [monogr.] || Molentje voor het malen van glazuursel, bestaande uit een hardstenen kom van ongeveer tachtig cm doorsnede met een maalsteen. Zie ook afb. 9. Het woordtype kollermolen (L 163) duidt eerder op een molen met verticaal geplaatste lopers die rondwentelen op een horizontale plaat. Zie ook het lemma ɛkollergangɛ in de paragraaf over de mechanisatie van de kleibereiding bij steenbakkerijen.' [N 49, 53f; monogr.]
II-8
|
| 29509 |
glazuurreservoir |
glazuurton:
glazuurton (L270p Tegelen),
loodbak:
lūt˱bak (L270p Tegelen),
loodpot:
lūtpǫt (L270p Tegelen)
|
Reservoir waarin het glazuursel bewaard en aangemaakt wordt. [N 49, 53e]
II-8
|
| 29571 |
gleiswerk |
aarden schotels:
ē̜rdǝ šø̜tǝls (L270p Tegelen),
aardewerk:
ārtwęrk (L270p Tegelen),
ē̜rdǝwęrk (L270p Tegelen),
ē̜rtwerk (L270p Tegelen)
|
Geglazuurd aardewerk. Het woordtype faïence (Q 156) is van toepassing op geglazuurd en geschilderd aardewerk, oorspronkelijk afkomstig uit Faënza, later naar voorbeeld hiervan ook elders vervaardigd. [N 20, 5; L 35, 78; monogr.]
II-8
|