| 33265 |
gewone spurrie |
spurrie:
špø̜ri (L270p Tegelen)
|
Spergula arvensis L. Een 15 tot 40 cm hoge plant met rechtopstaande stengels en smalle, priemvormige bladeren in kransen en kleine witte bloempjes. Spurrie bloeit van juni tot september en wordt vooral op zandgronden als veevoeder gekweekt. [N Q, 2; JG 1a, 1b; L A1, 245; R 3, 28; monogr.]
I-5
|
| 17564 |
gewricht |
gewerf:
gewerf (L270p Tegelen),
gewricht:
gevrich (L270p Tegelen),
gevrig (L270p Tegelen),
gewrichte (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
Tegenwoordig wordt dit woord misschien nog meer gebruikt.
gewrichte (L270p Tegelen)
|
gewricht, gewrichten (draaipunt in het beenderstelsel) [gewrichte, gewervele, gewerve] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17589 |
gezicht (spotnamen) |
bakkes:
bakkes (L270p Tegelen),
fysionomie:
fiselemie (L270p Tegelen),
gevel:
gevel (L270p Tegelen),
smoel:
smōēl (L270p Tegelen),
snuit:
sjnoet (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
sjnôêt (L270p Tegelen),
snōēt (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
toetje:
toetje (L270p Tegelen)
|
gezicht, gelaat: spotbenamingen [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 23278 |
gezongen mis |
gezongen mis:
gezonge mis (L270p Tegelen)
|
Een mis met liturgische gezangen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 32865 |
gezwad, regel gemaaid gras |
gezwad:
gǝžwāt (L270p Tegelen),
jaan/gaan:
gø̜̄n (L270p Tegelen)
|
De in dit lemma opgenomen woorden zijn van toepassing op de regel afgemaaid gras zoals een maaier die al voortgaande aan zijn linkerzijde vormt. Zie de toelichting bij het voorgaande lemma. = Bij de plaatscode duidt op gelijkheid van de benamingen voor zwad en gezwad in deze plaats; zie ook de kaart. [N 14, 93; JG 1a, 1b, 2c; A 16, 1b; A 4, 28 add.; A 23, 16 add.; L 8, 137; L 20, 28 add.; S 47; Gwn 7, 9; Lu 1, 16 II add.; monogr.]
I-3
|
| 18038 |
gezwel |
bluts:
bluts (L270p Tegelen),
gezwel:
geschwel (L270p Tegelen),
gezjwel (L270p Tegelen),
gezjwêl (L270p Tegelen),
gezwell (L270p Tegelen)
|
gezwel [bel] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 33894 |
gezwollen tandvlees |
roos:
ruǝs (L270p Tegelen)
|
Zwelling van het tandvlees treedt op bij jonge paarden tijdens de periode van tandwisseling. [JG lb, 2 c; A 48A, 51; N 8, 90f, 91 en 92]
I-9
|
| 19042 |
giechelen |
giebelen:
giebele (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
giechelen:
gieb’bele (L270p Tegelen),
giechele (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
giegele (L270p Tegelen)
|
giechelen [giebelen, schiertse] [N 10a (1961)] || giechelen, gesmoord lachen
III-1-4
|
| 32611 |
gier oproeren |
roeren:
rø̄rǝ (L270p Tegelen)
|
Bij het oppompen van de gier moest men geregeld de inhoud van de gierkelder oproeren, om te voorkomen dat de dikkere giermaterie, het gierbezinksel, onder in de put zou blijven en door de pomp niet meer opgezogen zou kunnen worden. [JG 1a + 1b; N 11A, 59b; S 30; monogr.]
I-1
|
| 32605 |
gier uitrijden |
tonnen:
tonǝ (L270p Tegelen),
zeik varen:
[zeik] ˲vārǝ (L270p Tegelen)
|
Onder gier uitrijden wordt verstaan het totaal van de volgende handelingen: gier in de gierton pompen of scheppen, gier naar het land vervoeren en aldaar al rijdende verspreiden. De termen aan het einde van dit lemma zijn meer van toepassing op het leegmaken van de beerput, een aparte put waarop de w.c. is aangesloten. De inhoud van deze put werd meestal in een ton op de kruiwagen of in een draagton naar de moestuin, de boomgaard of de huisweide gebracht en daar verspreid. [N 11, 21; N 11A, 51a + 51b + 52; JG 1a; A 9, 26 add.; div.; monogr.]
I-1
|