| 32001 |
gereedschapsgleuf |
achterlade:
axtǝrlāj (L270p Tegelen)
|
De gleuf aan de achterkant van het werkbankblad, waarin gereedschap kan worden gelegd. Zie ook afb. 113. [N 53, 208b; monogr.]
II-12
|
| 32192 |
gereedschapskast |
gereienkast:
gǝręjǝkas (L270p Tegelen)
|
In het algemeen de kast waarin de wagenmaker zijn gereedschap opbergt. [N G, 4b]
II-12
|
| 34240 |
geronnen melk |
zure melk:
zuǝr męlǝk (L270p Tegelen)
|
Melk die door het lange staan dik en zuur is geworden. [L 2, 7; A 7, 15; monogr.]
I-11
|
| 20912 |
gerookt spek |
gerookt spek:
geruik sjpek (L270p Tegelen),
geruikt sjpek (L270p Tegelen)
|
spek dat gerookt is [DC 48 (1973)]
III-2-3
|
| 18312 |
geruite jurk |
ruitenkleed:
róetekléid (L270p Tegelen),
ruitjeskleed:
ruutjeskleed (L270p Tegelen),
rûtjeskleid (L270p Tegelen)
|
jurk van geruite stof [ruutekeskleid] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 29829 |
geschifte steen |
schaalsteen:
šālštęjn (L270p Tegelen)
|
Metselsteen die op zijn smalle kant in de lengte doormidden is gehakt. Zie ook afb. 29. [N 31, 19e; monogr.]
II-8
|
| 20312 |
geslachtsgemeenschap hebben |
gebruik maken:
gebroek make (L270p Tegelen),
naaien:
Grof.
nejje (L270p Tegelen),
vrijen:
vreeje (L270p Tegelen)
|
geslachtsgemeenschap uitoefenen [N 10C (zj)]
III-2-2
|
| 33790 |
geslachtsorgaan van de hengst als geheel |
gemecht:
gǝmɛks (L270p Tegelen)
|
[JG, 1b; N 8, 36 en 37b]
I-9
|
| 34063 |
geslachtsrijpe koe |
maal:
mǭl (L270p Tegelen),
rind:
reŋk (L270p Tegelen),
vaars:
vē̜rs (L270p Tegelen)
|
Jong rund dat oud genoeg is om gedekt te worden. [N 3A, 23]
I-11
|
| 33328 |
gesloten boerderijtype |
hof:
hǭf (L270p Tegelen)
|
De bouwdelen van dit boerderijtype omsluiten het erf aan alle vier de zijden; in Nederland wordt dit type wel de "Limburgse hoeve" genoemd. Voor de fonetische documentatie van de woorden tussen vierkante haken wordt verwezen naar het lemma "boerderij, algemeen"(1.1.1). Zie kaart 4, het Ten Geleide van deze aflevering en afbeelding 6. [N 4A, 4]
I-6
|