| 33264 |
gele lupine |
akkerlupine:
akkerlupine (L270p Tegelen),
filipinen:
filǝ`pinǝ (L270p Tegelen),
flø`pine (L270p Tegelen),
lupinen:
ly`pinǝ (L270p Tegelen),
lǝpīnǝ (L270p Tegelen)
|
Lupinus luteus L. Een 30 tot 60 cm hoge plant met een uit gele, lipvormige bloempjes bestaande bloempluim, die bloeit van juni tot september, boonvormige vruchtjes draagt en vooral op zandgronden als bemestingsgewas wordt geteeld. [N Q, 4a; N 11A, 29a en 29b; JG 1a, 1b; A 55, 3b; NE 1, 18; R 3, 30; monogr.]
I-5
|
| 33239 |
gele voederwortel |
gele wortelen:
gē̜lǝ wortǝlǝ (L270p Tegelen)
|
Daucus carota L. In de genoemde vragenlijst is gevraagd naar twee variëteiten naast de algemene benaming winterwortel die in het vorige lemma ter sprake kwam. Hier is alleen opgenomen hetgeen afwijkend is van lemma Winterwortel. Lobbericher naar het Rijnlands dorpje Lobberich. [N Q, 6b; monogr.]
I-5
|
| 23501 |
gelezen mis |
stille mis:
sjtil mis (L270p Tegelen)
|
Een gelezen, stille mis [lèèsmis, sjtil mès?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23949 |
gelofte |
gelofte:
gelofte (L270p Tegelen)
|
Een gelofte [t jelübde]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23206 |
geloof |
geloof:
GELAUF (L270p Tegelen)
|
Het geloof [gloof, geloeëf, geleuf]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23207 |
geloven |
geloven:
geluuëve (L270p Tegelen)
|
Geloven [gleuve, geluuëve, gluive]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 25188 |
geluid van naderend onweer |
rommelen:
rommelə (L270p Tegelen)
|
eerste rommelen dat in de verte te horen is wanneer er een onweer op komst is [meutelen] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 17710 |
geluidloos een wind laten |
ene over de sokken laten (gaan):
euver de zök laote gaon (L270p Tegelen),
Schertsend.
euver de zök laote gaon (L270p Tegelen)
|
geluidloos een wind laten [feuze, bussinge] [N 10c (1961)], [N 10c (1995)]
III-1-1
|
| 19227 |
gemakkelijk |
gemakkelijk:
gemekkelek (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
gemekkelik (L270p Tegelen),
gemekkelĭĕk (L270p Tegelen),
op zijn gemak:
op sien gemaak (L270p Tegelen),
op zien gemaak (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
op zīēn gəmaak (L270p Tegelen)
|
gemakkelijk [DC 02 (1932)] || op zijn gemak [DC 02 (1932)]
III-1-4
|
| 25527 |
gemalen en gezuiverd graan |
bokkesmeel:
boqǝsmē̜l (L270p Tegelen),
gebuild meel:
gǝbȳlt mē̜l (L270p Tegelen),
roggemeel:
rø̜gǝmē̜l (L270p Tegelen),
weitemeel:
węjtǝmē̜l (L270p Tegelen)
|
Omdat de vraagstelling niet helemaal duidelijk was, kwamen er bij de antwoorden op de vraag naar de naam voor "gemalen en gezuiverd graan" zowel meel- als bloem-opgaven voor. Meel bestaat uit het inwendige van de tarwe- of roggekorrel plus de zemel, dus het is de geheel vermalen korrel, terwijl de bloem bestaat uit het inwendige van de korrel, de meelkern (Schoep blz. 12). Vroeger werd de gehele korrel vermalen tot meel. Daarna werd het meel gezeefd, waarbij een groot deel der zemelen achterbleef op de zeef. Het gezeefde product was dan de bloem, die echter nog heel wat zemeldelen bevatte (Schoep blz. 13). De voor dit lemma opgegeven bloem-varianten zijn verplaatst naar het lemma ''bloem''. [N 29, 14b; N 29, 15c; N 16, 80]
II-1
|