| 27539 |
geit |
geit:
gęi̯t (L270p Tegelen),
geitje:
gęi̯tjǝ (L270p Tegelen)
|
Geit in het algemeen. Ten aanzien van germ merken enkele informanten (L 292 (Heythuysen), Q 99 (Meerssen), 111* (Ransdaal)) op dat hiermee een vrouwelijke geit wordt bedoeld. Zie afbeelding 7. [N 77, 74; L 14, 32; A 9, 20; JG 1a, 1b; Wi 7; NE I, 16; AGV, m3; Gwn 5, 13; Vld.; monogr.; S, Q 105 add.; S 10, add.]
I-12
|
| 20671 |
geitenmelksepap |
geitenmelksepap:
Syst. WBD
geitemelksepap (L270p Tegelen)
|
Pap van geitemelk (mienekespap?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 33401 |
geitestal |
geitestal:
gęi̯te[stal] (L270p Tegelen)
|
De ruimte in de stal waar de geiten zich bevinden. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.2). [L 38, 29; A 10, 9g; monogr.]
I-6
|
| 19266 |
gek persoon |
flap:
flap (L270p Tegelen)
|
iemand die werkelijk niet goed wijs is
III-1-4
|
| 23537 |
geknield zitten |
op de knien zitten:
op de kneen zitte (L270p Tegelen)
|
(onder de consecratie) knielen, geknield zitten, op de knieën zitten [óp en kneije zitse?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 30175 |
geknipt werk |
knipwerk:
knepwęrǝk (L270p Tegelen),
snijwerk:
šnijwęrǝk (L270p Tegelen)
|
Wijze van voegen waarbij de voegen eerst met fijne witte specie worden volgezet en vervolgens langs de kanten met een voegijzer of mesje schuin worden afgesneden. Geknipt werk vervaardigen noemde men in L 163 'knippen' ('knepǝ') of 'snijden' ('snejǝ'), in K 353 'bovenop voegen' ('bōvǝnup ˲vugǝ'). [N 32, 34d; N 32, 35a; N 32, 35c; monogr.]
II-9
|
| 20690 |
gekookte hersens |
gebraden hersens:
Syst. Veldeke Als delicatesse.
gebraoje herses (L270p Tegelen),
harren:
Syst. WBD
herre (L270p Tegelen)
|
Gekookte hersens (frikkedellen, sepieten?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 24151 |
gekraagde roodstaart |
roodstaartje:
zonder nadere specificatie ondergebracht bij Gekraagde Roodstaart
roëd’sjtertje (L270p Tegelen)
|
gekraagde roodstaart
III-4-1
|
| 17580 |
gekruld haar |
gekruld haar:
gekröld (L270p Tegelen),
krulhaar:
krolhaar (L270p Tegelen),
krö.lhaor (L270p Tegelen),
krullen:
królle (L270p Tegelen),
krulletjes:
krulkes (L270p Tegelen)
|
gekruld haar [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 21274 |
geld |
centen:
sente (L270p Tegelen),
Opm. tot ± 1910 spraken oudere mensen nog van "sens"en "sensse". Thans volkomen in onbruik geraakt.
sente (L270p Tegelen),
duiten:
duite (L270p Tegelen),
geld:
geld (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
gɛlt (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
grossen:
vgl. Venlo Wb. (pag. 139): gros, 1. grosche (geldstuk -2. gros.
grosses (L270p Tegelen),
money (eng.):
monnie (L270p Tegelen),
moppen:
möp (L270p Tegelen)
|
geld [RND] || Geld in het algemeen; hierbij ook graag allerlei uitdrukkingen [geld, sens, poen, swis, oorden enz.] [N 21 (1963)] || geld opdoen (opmaken) [RND]
III-3-1
|