| 32318 |
geerhamer |
geerhamer:
gīrhāmǝr (L270p Tegelen)
|
De hamer waarmee de metalen banden aan één kant uitgesmeed worden. Zie ook het lemma ɛde banden uitsmedenɛ.' [N E, 43b]
II-12
|
| 32319 |
geermachine |
geermachine:
gīrmǝšin (L270p Tegelen)
|
De machine waarmee aan de banden de definitieve vorm wordt gegeven. Zie ook het lemma ɛde banden uitsmedenɛ.' [N E, 44]
II-12
|
| 17834 |
geeuwen |
gapen:
gaape (L270p Tegelen),
gape (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
gāāpe (L270p Tegelen),
geeuwen:
giewe (L270p Tegelen)
|
gapen [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 33705 |
gegraven waterloop |
graaf:
grāf (L270p Tegelen),
grats:
grats (L270p Tegelen),
wijert:
wīrt (L270p Tegelen)
|
In het algemeen is in dit lemma sprake van een gegraven waterloop als afscheiding of om overtollig water af te voeren of om te bewateren. In dialectenquêtes zijn er veel vragen gesteld naar de benamingen voor een sloot, graaf of gracht. In de antwoorden bleek veel overlap te zitten. Het gaat hier om waterlopen die verschillend van breedte kunnen zijn. Omdat de antwoorden hierover niet eenduidig waren, was het niet mogelijk aan een begrip een vaste breedte toe te kennen. Algemeen kan men zeggen dat een gracht een bredere sloot is, een graaf een wat bredere, vaak droge sloot, en dat een goot, grub en zouw wat smallere waterlopen zijn. Het overeenkomstige bij alle waterlopen is dat ze gegraven zijn. [N 27, 24; AGV, m1; A 20, 1c; A 20, 1d; A 10, 21; A 2, 48; L 24, 27; L 1a-m; L 36, 4; L A1, 62; Lu 1, 5; R 14, 23j; S 11, 33; monogr.]
I-8
|
| 20692 |
gehakt |
gehakt:
Syst. Veldeke
gehakt (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
worstenvlees:
Syst. Veldeke
worstevleis (L270p Tegelen)
|
Bal gehakt (frikkedel?) [N 16 (1962)] || Fijngehakt vlees (bilber?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 34425 |
geheel afgeschoren wolvacht |
roof:
rou̯f (L270p Tegelen),
schapenvacht:
šǭpǝvax (L270p Tegelen)
|
De gehele vacht wol van het schaap, wanneer dit geschoren wordt. [N 38, 19; L 41, 37; monogr.]
I-12
|
| 23728 |
geheimen van de rozenkrans |
geheimen:
geheime (L270p Tegelen)
|
De geheimen van de Rozenkrans bestaande uit de blijde geheimen, de droevige geheimen en de glorierijke of glorievolle geheimen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 17621 |
gehemelte |
gehemelte:
gehemelte (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
raak:
raak (L270p Tegelen),
rake (L270p Tegelen),
verhemelte:
verhemelte (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
gehemelte [raak, geemel] [N 10a (1961)]
III-1-1
|
| 17960 |
gehurkt zitten |
hukjes zitten:
huukskes zitte (L270p Tegelen),
op de hurken zitten:
op de hurke zitte (L270p Tegelen),
op het hukje zitten:
óp t huukske zitte (L270p Tegelen),
op zijn hukje zitten:
op zien hukske zitte (L270p Tegelen),
op zien hükske (L270p Tegelen)
|
hurken, op zijn ~ zitten [op de huuke, op znen huik, op zn huiketjes zitte] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 20461 |
geil, wellustig |
loops:
Grof.
luips (L270p Tegelen)
|
geil, wellustig [N 10C (zj)]
III-2-2
|