| 23700 |
gebed |
gebed:
gebed (L270p Tegelen),
gebedje:
gebedje (L270p Tegelen)
|
Een gebed, [jebed?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23701 |
gebeden |
gebeden:
gebeeje (L270p Tegelen)
|
De gebeden meervoud. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23679 |
gebedsweek |
bedeweek:
beejweek (L270p Tegelen)
|
Een gebedsweek. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23476 |
gebeier |
gelui:
et geluu (L270p Tegelen),
luiden, het ~:
et luuje (L270p Tegelen)
|
Het gelui, het gebeier van de klok(ken). [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 30204 |
gebint |
daksparren:
dā.kšpɛrǝ (L270p Tegelen)
|
Het geheel van spantbenen, gordingen, kepers etc. waarop de dakbedekking rust. Zie ook afb. 49 en 71. [S 9; N 54, 149a; N 54, 149b; N 54, 151; monogr.; Vld.]
II-9
|
| 17623 |
gebit |
bit:
bit (L270p Tegelen),
gebit:
gebit (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
tanden:
teng (L270p Tegelen)
|
gebit [N 10a (1961)]
III-1-1
|
| 30037 |
gebluste kalk |
droogkalk:
dryǝxkalǝk (L270p Tegelen),
gebluste kalk:
gǝbløs˱dǝ kalǝk (L270p Tegelen),
gǝblø̜s˱dǝ kalǝk (L270p Tegelen),
leskalk:
lęskalǝk (L270p Tegelen),
poederkalk:
pujǝrkalǝk (L270p Tegelen)
|
Ongebluste kalk die met water is aangelengd. Zie ook het lemma 'Kalk blussen'. Gebluste kalk wordt gebruikt bij de bereiding van mortel. Woordtypen als 'stubkalk', 'poederkalk', 'poeder' en 'zakjeskalk' verwijzen naar schelpkalk die direct na het branden droog geblust wordt en in poedervorm op de bouwplaats wordt aangeleverd. [N 30, 30a; N 30, 30b; N 30, 30c; N 30, 32f; monogr.]
II-9
|
| 20183 |
geboorte |
aanzetkant:
ānzętkaŋk (L270p Tegelen)
|
De plaats waar de boog aan weerszijden tegen de rest van het metselwerk rust. De stenen in de muur moeten hier, om aansluiting te geven, behakt worden. In Q 121 spreekt men dan van 'geschoren stenen' ('jǝšōrǝ štęŋ'). Volgens de invuller uit Q 97 telt een poortboog altijd een oneven aantal stenen. [N 32, 19a; monogr.]
II-9
|
| 22513 |
geboortefeest |
doopkoffie:
duipkôffie (L270p Tegelen),
kindjeskoffie:
Vero.
kiendjeskôffie (L270p Tegelen)
|
Koffietafel voor familie en buren op de dag dat een kindje gedoopt werd. || Koffietafel, eertijds bij het doopsel van n kind aan familie en buren aangeboden.
III-3-2
|
| 33879 |
geboorteomhulsel van een veulen |
helm:
hɛlǝm (L270p Tegelen),
net:
net (L270p Tegelen)
|
Het vruchtvlies dat na de geboorte van het veulen afkomt. Als de merrie het veulen alleen ter wereld brengt, stikt het veulen meestal in de zak, die zo sterk is, dat hij met behulp van een mes of scherp voorwerp geopend moet worden. [N 8, 54, 55 en 56]
I-9
|