| 17910 |
spuiten |
spoezen:
sjpôeze (L331p Swalmen),
sproezen:
sjproezə (L331p Swalmen),
spuiten:
schpeuitə (L331p Swalmen),
sjpuite (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen,
L331p Swalmen,
L331p Swalmen)
|
persen, Met kracht vloeistof door een nauwe opening ~ (spuiten, spruiten, spritsen, sprietelen). [N 84 (1981)] || spuiten [SGV (1914)] || spuiten, met kracht door een nauwe opening naar buiten geperst worden, gezegd van water [spruiten, spritsen, sprietelen] [N 81 (1980)] || vloeistof met kracht door een nauwe buis naar buiten persen [spuiten, spruiten, spritsen, sprietelen] [N 91 (1982)]
III-1-2, III-4-4
|
| 21750 |
spuitstuk |
spuit:
sjpuit (L331p Swalmen)
|
de koperen buis aan de slang van de brandspuit [lent] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 33266 |
spurrieschoof |
bussel:
bø̜sǝl (L331p Swalmen)
|
Pas gemaaide en gebonden spurrieschoof. In L 164, 266, 270, 289*, 289b, 290, 291, 320, 325 en 387 wordt opgemerkt dat spurrie niet werd gebonden, maar op staken gezet. De zegsman uit L 320 is uitvoerig: "De spurrie werd vroeger gedroogd aan stokken met de lengte van bonestaken, echter dikker. Onder om deze ¯spörriestaek¯ werd eerst een strowis strak vastgebonden, tegen het afzakken van de spurrie. De te drogen spurrie werd vervolgens in lange losse rollen gewikkeld en om de staken gedraaid. In latere tijd -na de tijd dat de spurrie op spörriestaek werd gedroogd- had men een andere methode: gewone bonenstaken werden schuin en dicht naast elkaar tegen een muur of meestal tegen een tuinheg (betere droging) gezet. Hier werd de spurrie los opgestapeld. Deze noemde men ɛhalleɛ. [N 15, 18f]
I-5
|
| 19428 |
spuwbakje, kwispedoor |
spijbakje:
sjpiejbekske (L331p Swalmen)
|
Spuwpotje of -bakje (spuwbakje, tufbak, speekbak, kwispedoor, kwispeldoer) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 26676 |
staakijzer van de rosmolen |
spil:
špel (L331p Swalmen)
|
De verticaal onder de molenstenen geplaatste, vaak van ijzer vervaardigde spil die de loper aandrijft. Zie ook de lemmata ɛstaakijzer van de windmolenɛ en ɛstaakijzer van de watermolenɛ.' [N D, 17]
II-3
|
| 21526 |
staal |
staal:
sjtaal (L331p Swalmen)
|
kleine hoeveelheid van een koopwaar die aan de koper getoond wordt om hem over de kwaliteit te laten oordelen [staal, monster, kantje] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 17819 |
staan |
staan:
schtoan (L331p Swalmen)
|
staan [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 20125 |
staart |
staart:
schtart (L331p Swalmen),
štɛrt (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
[A 2, 37; L 29, 27; S 35; monogr.]staart [SGV (1914)] || Zie afbeelding 2.37. [JG 1a, 1b; RND 60]
I-11, I-9, III-4-2
|
| 34225 |
staartkoord |
staarttouw:
štɛrttǫu̯w (L331p Swalmen)
|
Koord waarmee men op stal de staart van de koe vastbindt. [N 3A, 14g]
I-11
|
| 34087 |
staartkwast |
poes:
pūs (L331p Swalmen)
|
Kwastig uiteinde van de staart. [N 3A, 114]
I-11
|