| 17782 |
speeksel |
kots:
kôots (L331p Swalmen),
spij:
sjpiej (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
Speeksel: het mondvocht, afscheiding van bepaalde klieren in de mond (smurrie, tuf, spuw, speek, jodevet, speeksel). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 17694 |
speeksel uitspuwen |
spijen:
schpiejə (L331p Swalmen),
sjpieje (L331p Swalmen),
ṣpijə (L331p Swalmen)
|
(speeksel uit)spuwen [RND] || spuwen [SGV (1914)] || spuwen: speeksel uitspuwen [spiertse, spaowe, tuffe, spuige, speken] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 23178 |
speelgoed |
speelgoed:
sjpeelgood (L331p Swalmen)
|
Speelgoed.
III-3-2
|
| 22384 |
speelkaart |
kaart:
kārt (L331p Swalmen),
n sjpeel kaarte. Gooj of sjlechte kaart(e) höbbe.
kaart (L331p Swalmen)
|
Elk van de kaarten van het kaartspel, speelkaart [flep, flik]. [N 88 (1982)] || Kaart.
III-3-2
|
| 26505 |
speelman, klapspaan |
klapper:
klapǝr (L331p Swalmen),
speler:
špēlǝr (L331p Swalmen)
|
Aan het staakijzer bevestigde houten of ijzeren lat of van armen voorziene ijzeren kop waarmee het schoen in schuddende beweging wordt gehouden. In P 55 had de as vier vlakke kanten. In P 58 en Q 83 waren er respectievelijk vier tappen (tapǝ) en vier tanden (tān) of knotsen (knotsǝ) aan de kop bevestigd (Vanderspickken, pag. 112). De wippelaar uit Q 9 bestond uit hout met leer ertegen. [N O, 14n; A 42A, 18; N D, 32; Vds 150; Jan 157; Coe 138; Grof 159]
II-3
|
| 21480 |
speelplaats |
speelplaats:
sjpeelplaats (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
de plaats voor of bij de school waar de leerlingen voor of na de schooltijd en tijdens de pauzes verblijven [cour, speelplaats] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 19339 |
speels |
ondeugend:
ondeug (L331p Swalmen),
speels:
sjpeels (L331p Swalmen),
sjpêêls (L331p Swalmen)
|
geneigd tot spelen, tot rondspringen [dartel, speels, ondeugend] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 20287 |
speen |
lotser:
(met ringetje).
loetsjer (L331p Swalmen),
speen:
sjpeen (L331p Swalmen)
|
speen; een gummidop op een zuigfles [speen, fiep, frutter, tutter, toetje, fiepke, frut, stiekse] [N 86 (1981)]
III-2-2
|
| 34114 |
speen van de koe |
deem:
dēm (L331p Swalmen)
|
[N C, 12; JG 1a, 1b; A 30, 6a; L 8, 24b; L 14, 27b; L 49, 6a; monogr.]
I-11
|
| 24747 |
speenkruid |
speenkruid:
sjpeenkroed (L331p Swalmen),
WLD
sjpeenkròet / sjpeenkróet (L331p Swalmen)
|
Speenkruid (ficaria verna 5 tot 25 cm hoog. De stengels zijn liggend of opstijgend; de bladeren zijn hart- of niervormig, ze zijn glanzend en lang gesteeld, met knolletjes in de onderste bladdeksels. De bloemen zijn talrijk, met vrij smalle kroonbladere [N 92 (1982)]
III-4-3
|