| 24618 |
spar |
fijnspar:
fiensjpar (L331p Swalmen),
kruisden:
WLD
krûûtsdèn (L331p Swalmen)
|
De spar (i.h.b. de fijnspar, zilverspar) (spar, mast). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 21895 |
sparen |
sparen:
sjpare (L331p Swalmen)
|
bewaren, niets opmaken, om zijn bezit te vergroten [sparen, muiken] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 17963 |
spartelen |
spartelen:
schpertələ (L331p Swalmen)
|
spartelen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 33904 |
spat |
spat:
špat (L331p Swalmen)
|
Er zijn verschillende soorten spat. Een beenwoekering aan de voorknie, soms ter grootte van een vuist, noemt men voorkniespat, een harde verdikking aan de onder- of binnenzijde van het spronggewricht spat. De ziekte is ongeneeslijk en veroorzaakt veelal kreupelheid. Zie ook het lemma ''bolspat'' (7.27). Zie afbeelding 19. [A 48A, 54f; N 8, 90d, 90f, 90g en 90j]
I-9
|
| 18091 |
spatader |
spatader:
schpatoar (L331p Swalmen),
sjpataor (L331p Swalmen),
sjpàtâôr (L331p Swalmen)
|
spatader [SGV (1914)] || Spatader: plaatselijk uitgezette ader met dikke blauwachtige knobbels; blijvende uitzettting van een ader vooral in de benen (spat, ader, spatader, puilader, aderspat). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 24993 |
spatten |
spuiten:
schpeuitə (L331p Swalmen),
sjpuite (L331p Swalmen),
sjpuitte (L331p Swalmen)
|
in of als kleine deeltjes op- of wegspringen, gezegd van vloeibare zaken [spatten, spiertsen, spinten, spetten, drasjken] [N 91 (1982)] || spatten [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 22003 |
speciale lokroepen |
komme:
kômme! (L331p Swalmen)
|
Kent U speciale lokroepen? Hoe luiden die? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 20770 |
speculaas |
speculatie:
sjpikklasie (L331p Swalmen)
|
speculaas [N 29 (1967)]
III-2-3
|
| 25650 |
speculaasplank |
speculatieplank:
špeklāsiplaŋk (L331p Swalmen)
|
De houten koekvorm waarin het deeg voor speculaas wordt gedrukt. [N 29, 90; monogr;]
II-1
|
| 21888 |
speculeren |
speculeren:
sjpikkeleere (L331p Swalmen),
sjpikkelére (L331p Swalmen)
|
kopen, verkopen of wachten met kopen of verkopen in de verwachting winst te maken door stijging of daling van prijzen [lippen, speculeren] [N 89 (1982)]
III-3-1
|