| 17590 |
snuit |
snoet:
sjnōēt (L331p Swalmen),
WLD
sjnoet (L331p Swalmen),
snoets:
schnoets (L331p Swalmen),
snuit:
schnoet (L331p Swalmen),
snūt (L331p Swalmen),
šnūt (L331p Swalmen)
|
[N 19, 25; N 76, 11; L 7, 8; JG 1a]Hoe noemt u het vooruitstekende deel van het aangezicht van dieren (snuit, snoefel) [N 83 (1981)] || Snuit [SGV (1914)]
I-12, III-1-1, III-4-2
|
| 34612 |
snuit van de wagen |
snuit:
šnūt (L331p Swalmen)
|
De voorkant van de twee balken die samen de vork vormen, waartussen de dissel is bevestigd. [N 17, 44c; N G, 70g; JG 1d]
I-13
|
| 17841 |
snurken |
snurken:
sjnórke (L331p Swalmen)
|
snurken [snorke, ronke] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 20664 |
soep |
soep:
soep (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
soep [SGV (1914)] || Soep, heel in het algemeen [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20756 |
soep van ingewanden |
niersoep:
neersoep (L331p Swalmen)
|
Soep van ingewanden, hart, nieren e.d. (tripsoep?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 19518 |
soepketeltje |
etensketeltje:
èteskaetelke (L331p Swalmen)
|
keteltje van blik waarin men melk, soep e.d. naar de arbeiders in het veld brengt (perdons) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 20882 |
soepkip |
soephoen:
soephoon (L331p Swalmen)
|
kip in water gekookt [N 37 (1971)]
III-2-3
|
| 19521 |
soepterrine |
soepterrine:
soeptrien (L331p Swalmen)
|
soepterrine [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 20512 |
soepvlees |
soepenvlees:
soeppevleis (L331p Swalmen),
soepvlees:
soepvleis (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
soepvlees; Hoe noemt U: Mager vlees om soep van te koken (boelie, bouilli, soepvlees) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 31406 |
soevereinboor, verzinkboor |
verzinkboor:
vǝrzęŋk˱bǭ.r (L331p Swalmen)
|
Algemene benaming voor de verschillende soorten boorijzers waarmee voorgeboorde gaten conisch kunnen worden vergroot. De soevereinboor wordt onder meer gebruikt om koppen van schroeven en klinknagels te kunnen verzinken, maar ook om bramen uit boorgaten te verwijderen. Zie ook afb. 115. [N 33, 135; N 33, 144; N 33, 145; N 33, 164]
II-11
|