| 33996 |
snoer |
slag:
šlāx (L331p Swalmen),
smik:
šmek (L331p Swalmen),
smikkeslag:
šmekǝšlāx (L331p Swalmen),
smikketouw:
šmekǝtǫu̯ (L331p Swalmen)
|
Bewegend deel van de zweep dat aan de steel bevestigd is. Een aantal informanten verdeelt het snoer nog in een onderste gedeelte dat aan de stok bevestigd is, en een dunner (gevlochten) gedeelte, waaraan de kletsoor bevestigd is. De benamingen die met zekerheid refereren aan dat dunnere gedeelte, worden apart vermeld. [N 13, 95b; S 47; R 14, 20; monogr.]
I-10
|
| 17753 |
snor |
rietzanger:
reetzenger (L331p Swalmen),
snor:
schnor (L331p Swalmen),
sjnor (L331p Swalmen)
|
snor (knevel) [DC 01 (1931)] || snorbaard [SGV (1914)] || sprinkhaanrietzanger / snor (12,5 / 14 zeer verborgen levend in riet en struiken; alleen krekelachtig snorrend geluid is te horen; een soort leeft in hoogveen-, de andere in laagveenmoerasjes [N 09 (1961)]
III-1-1, III-4-1
|
| 25048 |
snorren |
snorren:
sjnorre (L331p Swalmen),
sjnôrre (L331p Swalmen)
|
een ruisend-brommend geluid maken, gezegd van bijv. een kacheltje [snorren, snorzen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 34510 |
snot |
snot:
šnot (L331p Swalmen)
|
Coryza avium contagiosa of snot is een verkoudheid, gepaard gaande met neusvloeiing. De kippen hebben zwarte natte neuzen, ze niezen en de ademhaling kan bemoeilijkt zijn. De ogen zijn vochtig; de leg is teruggelopen en de eetlust is verminderd. Snot als alleenstaande ziekte is niet zo ernstig, meestal gaat snot gepaard met andere ademhalingsziekten. [N 19, 64; monogr.]
I-12
|
| 18026 |
snotneus |
snotblaag:
sjnŏtblaag (L331p Swalmen),
snotnaas:
sjnòtnaas (L331p Swalmen),
snôtnaas (L331p Swalmen),
snotterkuiken:
sjnŏterkūūke (L331p Swalmen),
snotterlap:
sjnôoterlap (L331p Swalmen),
snotternaas:
sjnooternaas (L331p Swalmen)
|
een kind dat zich met zaken bemoeit en daarover een mening geeft, waarvoor het nog te jong is [snotneus, snotter, aap, koetneus, plathoek] [N 85 (1981)] || snotneus [snooterbel, sjoetsnaas] [N 06 (1960)]
III-1-4
|
| 18025 |
snottebel |
snotterbel:
sjnoterbel (L331p Swalmen)
|
neus: snottebel [snotkeekel, snotkikkel, snotkiekje, snotneus, snottebrel] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 18027 |
snotteren |
snotteren:
sjnotere (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
sjnôôttere (L331p Swalmen)
|
Snotteren: herhaaldelijk en hoorbaar de neus ophalen om deze vrij te maken van neusvocht (snotteren, snitteren, snutten). [N 84 (1981)] || snuiten: zijn neus snuiten [sneuve, snutte] [N 10a (1961)]
III-1-2
|
| 34347 |
snuffelziekte |
snuffel in de naas:
šnøfǝl enǝ nās (L331p Swalmen),
snuffelziekte:
snuffelziekte (L331p Swalmen)
|
Een aandoening van het neusschelpje en het neustussenschot en in een verder stadium van het benige geraamte van de bovenkaak. De dieren krijgen heftige en uitputtende niesbuien; de ademhaling is snuivend; er treden neusbloedingen op en de uitvloeiing uit de neus is dun en soms ook slijmig (WBD I.6, blz. 854). [N 52, 20; N 76, 50; A 48a, 33]
I-12
|
| 20567 |
snuifje |
snuif:
sjnōēf (L331p Swalmen)
|
snuifje; Hoe noemt U: Kleine hoeveelheid tabak die men in een keer opsnuift (snuifje, snuit, kees, prise) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 21858 |
snuisterij |
rommeltje:
rummelke (L331p Swalmen)
|
een klein sieraad, een aardig prulletje van geringe waarde [snuisterij, snuiselderij] [N 89 (1982)]
III-3-1
|