| 33514 |
snijbonen |
krombekken:
krômbek (L331p Swalmen),
WLD
krómbek (L331p Swalmen)
|
Een soort van snijboon of van peul waarvan de dop een kromme vorm heeft (krombek, mussebek). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 31293 |
snijbrander |
snijbrender:
šnibrɛnjǝr (L331p Swalmen)
|
Lasbrander waarbij een tweede mondstuk is aangebracht waaruit zuurstof stroomt. Op deze wijze wordt een snelle verbranding verkregen van het materiaal dat door de vlam wordt bestreken. De snijbrander kan alleen worden toegepast bij het snijden van ijzer en staal en - met speciale voorzieningen - ook wel bij gietijzer. Zie ook afb. 44. [N 33, 317; monogr.]
II-11
|
| 31363 |
snijijzer |
moerplaat:
mōrplāt (L331p Swalmen),
snijijzer:
šnij-ī.zǝr (L331p Swalmen)
|
Stalen werktuig om uitwendig schroefdraad aan buizen, staven, bouten, etc. te snijden. Een veelgebruikt type bestaat uit een ronde snijplaathouder met twee handvatten, waarin een verwisselbaar, rond snijblok kan worden aangebracht. In het midden van dit snijblok zit een rond gat met schroefdraad. Enkele gaten rond dit centrale gat vormen de snijkussens. De snijblokken zijn soms aan één kant open, zodat het snijgat door middel van stelschroeven iets kan worden versteld. Zie ook afb. 92e, f, g. Voor het op volle diepte snijden van een schroefdraad moet het snijijzer twee of drie maal worden opgeschroefd. De snijkussens van het snijblok worden daarbij steeds met de stelschroeven op een nauwere afstand ingesteld. Zie ook het lemma "snijblok, snijkussen". Het snijijzer voor gasdraad is vaak voorzien van een ratel, waardoor het draadsnijden op lastig bereikbare plaatsen mogelijk is. Met de woordtypen snelsnijijzer, snelijzer en snelsnijder wordt een speciaal type snijijzer aangeduid. Met dit werktuig kan, in tegenstelling tot het gewone snijijzer, in één keer schroefdraad aan buizen, staven, etc gesneden worden. [N 33, 293-294; N 33, 297; N 64, 65a-b; monogr.]
II-11
|
| 30940 |
snijmes |
schilmes:
šęlmɛts (L331p Swalmen),
trekmes:
trękmɛts (L331p Swalmen)
|
Lang mes met een recht blad en twee, vaak bolvormige, handvatten. Zie ook afb. 209. Het snijmes wordt gebruikt door diverse houtbewerkers zoals de timmerman, de stoeldraaier, de kuiper en de wagenmaker. De kuiper bewerkt er vooral de buitenkant van duigen mee, maar hij vormt er vaak ook de schuine buitenrand mee aan een vatbodem. Vgl. de woordtypen bodemmes en bodemsnijmes. De wagenmaker snijdt er spaken voor karwielen mee. Het eerste lid in het woordtype speekmes verwijst daarnaar. [N E, 13b; N E, 15; N E, 41; N G, 11a; N 33, 272; N 47, 12a; N 53, 76; A 32, 6; monogr.]
II-12
|
| 18134 |
snijwonde |
snats:
sjnats (L331p Swalmen),
(m.).
sjnats (L331p Swalmen),
sjnatsj (L331p Swalmen),
snee:
eine sneej inne vinger (L331p Swalmen),
en sjnee in de vinger (L331p Swalmen),
sjnêêj (L331p Swalmen),
(m.).
sjneej (L331p Swalmen)
|
snee in de vinger [N 07 (1961)] || Snijwond: door snijden veroorzaakte wond (sleuf, kreeuw, vil, slip, schorp, krab). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 19040 |
snikken |
snokken:
sjnókke (L331p Swalmen)
|
snikken [snoffe] [N 10 (1961)]
III-1-4
|
| 21450 |
snipper |
snipper:
sjnipper (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
een afgesneden, afgeknipt of afgescheurd stukje papier of stof [snipper, stoike, schreudje, schroodje, snippeling] [N 91 (1982)]
III-3-1
|
| 20590 |
snoepen |
slokken:
schlokkə (L331p Swalmen)
|
snoepen [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 20549 |
snoepgoed |
lekker:
lekker (L331p Swalmen),
slok:
sjlók (L331p Swalmen),
sjlôk (L331p Swalmen)
|
snoepgoed; Hoe noemt U: Zoetigheid, lekkernij, snoeperij, snoepgoed (mem, smul, lekker, lakker, snoep, lekkergoed, lekkerigheid, sneukelderij, snuisterij, kokerel, zoetigheid, grevegoed) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20550 |
snoepje |
babbeltje:
babbeltje (L331p Swalmen),
lekkertje:
lèkkertjə (L331p Swalmen)
|
snoepje; Hoe noemt U: Een stukje snoepgoed (babbeltje, snoepje) [N 80 (1980)]
III-2-3
|