| 31229 |
smidsvuurhaard |
smidsvuur:
šmets˲vȳr (L331p Swalmen)
|
De van metselwerk of van metaal vervaardigde stookplaats met kolenvuur waarin de smid ijzer en ander metaal verhit. De oude smidsvuren bestonden uit een soort gemetseld werkvlak waarin een uitholling, het stookgat, was aangebracht. Aan de zijkant van dit stookgat werd door middel van een pijp lucht toegevoerd. Boven het stookgat bevond zich een gemetselde of metalen kap waarmee de rookgassen via de schoorsteen buiten de smidse konden worden geleid. In de buurt van het stookgat was een koelbak met water aangebracht waarin de gloeiende werkstukken konden worden afgekoeld. Zie ook afb. 6. Bij de modernere smidsvuren wordt de luchtstroom aan de onderzijde van het smidsvuur toegevoerd. De luchtleiding mondt daartoe uit in een onder het stookgat aangebrachte smidsvorm. Zie ook afb. 7 en het lemma "smidsvorm, blaasgat". De smis(se) met trekblaasbalg werd in het koperslagersbedrijf in Venray (L 210) tot ongeveer 1915 gebruikt. Nadien werkte men met een veldsmidse. [N 33, 9; N 66, 10b; monogr.]
II-11
|
| 21728 |
smokkelen |
smokkelen:
sjmoekele (L331p Swalmen),
sjmôkele (L331p Swalmen)
|
verboden goederen, of goederen waarover rechten betaald moeten worden heimelijk over de grens brengen [lörzen, maroderen, smokkelen] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 20493 |
smullen |
smikkelen:
sjmikkele (L331p Swalmen),
zich begaden:
zich begáájə (L331p Swalmen)
|
smullen; Hoe noemt U: Lekker eten, met veel plezier eten (smullen, smikkelen, snollen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 21552 |
snauwen |
snauwen:
sjnauwe (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
bits, op bijtende toon spreken [snibben, snauwen, bitsen, toesnappen, grauwen, knappen] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 19361 |
snauwen, grauwen |
grauwelen:
grauwele (L331p Swalmen),
knoteren:
knotere (L331p Swalmen),
snauwen:
sjnauwe (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
bits, op bijtende toon spreken [snibben, snauwen, bitsen, toesnappen, grauwen, knappen] [N 85 (1981)] || grauwen: Je hoort hem de hele dag snauwen en - [DC 35 (1963)] || snauwen: Je hoort hem de hele dag - en grauwen [DC 35 (1963)]
III-1-4
|
| 24244 |
snavel |
snavel:
sjnáável (L331p Swalmen)
|
snavel: de hoornachtige bek van een vogel (snavel, bek) [N 83 (1981)]
III-4-1
|
| 34111 |
sneb |
sneb:
šnɛp (L331p Swalmen)
|
Wit vlekje op de snuit van de koe. [N 3A, 137]
I-11
|
| 32880 |
snede van het blad van de zeis |
gewaat:
gǝwāt (L331p Swalmen),
het scherp:
šɛ.rǝp (L331p Swalmen),
snid:
šnē.t (L331p Swalmen)
|
De scherpe snijdende binnenzijde van het blad van de zeis. Zie afbeelding 5, nummer 4. Bedoeld is hier de algemene benaming voor de snijkant van de zeis. In sommige gebieden, met name in enkele dorpen tussen het waat-gebied (in het noorden van Belgisch Limburg) en het snede-gebied (in het zuiden ervan) wordt onderscheid gemaakt tussen de eigenlijke snede en het haarpad: de smalle rand die bij het haren op het zeisblad wordt geslagen en waarvan de snede het uiteinde vormt. Zie voor deze laatste het volgende lemma: ''haardpad''. Wanneer er meer dan één variant voor een plaats was opgegeven, is bij voorkeur het materiaal van de mondelinge enquêtes in gebracht.' [N 18, 68d; JG 1a, 1b, 2c; add. uit N 17, 100; monogr.]
I-3
|
| 20523 |
snee brood |
snee:
sjnee (L331p Swalmen),
snee brood:
shnéé broot (L331p Swalmen),
snee mik:
shnéé mik (L331p Swalmen)
|
snede; Hoe noemt U: Een snee brood (snee, rondommer) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 24388 |
sneep |
koemoel:
koemōēl (L331p Swalmen),
WLD
koemoel (L331p Swalmen)
|
Hoe noemt u de sneep: een beenvis met een blauwzwarte rug en rossige vinnen; de bovenkaak steekt boven de onderkaak uit (sneep, koemuil, streepaal, meerkat, weerkat, melkoors, blag) [N 83 (1981)]
III-4-2
|