| 34163 |
slijmblaas |
slijm:
šlīm (L331p Swalmen)
|
Gelei-achtige afscheiding uit de schede vóór het kalven. [N 3A, 37]
I-11
|
| 34178 |
slijmkoek |
slijmkoek:
šlīmkōk (L331p Swalmen)
|
Koekje dat het kalf bij de geboorte in de bek heeft. [N 3A, 56]
I-11
|
| 25352 |
slijpstaal |
staal:
štǭl (L331p Swalmen)
|
Een ± 40 cm lange stalen pin, voorzien van een handvat. Het oppervlak van de pin is soms wel, soms niet geruwd. Het staal wordt gebruikt om een mes of krabber op aan te zetten. Zie afb. 2. [N 28, 122; N 28, 123; monogr.]
II-1
|
| 25353 |
slijpsteen |
slijpsteen:
šlī.pštęj.n (L331p Swalmen)
|
Steen waarop gereedschappen als beitels, schroevendraaiers, etc. geslepen worden; meer in het bijzonder ook de ronde steen die om een spil of as draait en in een slijpstelling of aan een elektrische slijpmachine is bevestigd. Als slijpsteen worden korrelige, zeer harde steensoorten als amaril en carborundum gebruikt. Zij worden geleverd in grove, middel- en fijne korrel. Zie ook afb. 1. [N 33, 271; L 6, 68b; monogr.; div.]
II-11
|
| 20502 |
slikken |
slikken:
sjlikke (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
slikken; Hoe noemt U: Voedsel of drank door de keel uit de mond naar de maag brengen (slikken, slokken, halzen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 19282 |
slim |
goed bij:
good biēj (L331p Swalmen),
slim:
sjlum (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
vlot:
(van begrip).
flòt (L331p Swalmen)
|
een zeer goed verstand hebbend en zeer vlug van begrip [schrander, slim, hel] [N 85 (1981)] || vindingrijk in het bedenken van hulpmiddelen, in het raden etc.; [slim, ont, vossebillen gegeten hebbend] [N 85 (1981)] || vlug van begrip [vinnig, rap] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18989 |
slimmerik |
slimmerik:
sjlummerik (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
uitvinder:
ôetvinjer (L331p Swalmen)
|
een vindingrijk persoon [fijnaard, finard] [N 85 (1981)] || een zeer goed verstand hebbend en zeer vlug van begrip [schrander, slim, hel] [N 85 (1981)] || vindingrijk in het bedenken van hulpmiddelen, in het raden etc.; [slim, ont, vossebillen gegeten hebbend] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 25072 |
slinken, minder worden |
slinken:
sjlinke (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen,
L331p Swalmen)
|
minder worden [lamen, lammen, verstillen afreezen] [N 91 (1982)] || minder worden in massa en omvang [slonken, slinken, zakken, slappen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 18228 |
slip |
slip:
sjlup (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
afhangend eind van een kledingstuk [slip, klamp] [N 86 (1981)] || hemdslip, pand van een hemd [slup, slipruiter, geer, vaan, lesj, hemsjlup] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18694 |
slip-over |
kamizooltje (<fr.):
kommezaolke (L331p Swalmen)
|
slipover, truivest zonder mouwen [N 23 (1964)]
III-1-3
|