| 34601 |
slekken |
slekken:
šlɛkǝ (L331p Swalmen)
|
Metalen plaatjes of kapjes waarmee men de uiteinden van de berries tegen slijtage beschermt of waarmee men beschadigde berries verstevigt. [N 17, 29 + 99; N G, 59c; JG 1d]
I-13
|
| 17930 |
slenteren |
slenteren:
schlentjərə (L331p Swalmen),
sjlentere (L331p Swalmen)
|
lopen: slenterend lopen [schaffele, banzele, gengele, schuupe] [N 10 (1961)] || slenteren(d lopen) [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 17899 |
slepen |
gelijkmaken:
gǝlīkmākǝ (L331p Swalmen),
met het karbeslag slepen:
met˱ ǝt kɛrbǝšlā.x .šlęi̯.pǝ (L331p Swalmen),
slepen:
schleeipə (L331p Swalmen),
sjleipe (L331p Swalmen),
sjléépe (L331p Swalmen),
šlęi̯.pǝ (L331p Swalmen)
|
De in dit lemma bijeengebrachte termen betreffen het bewerken van de akker met een sleep, om de grond gelijk te trekken, aardkluiten te verbrijzelen of fijn zaad in de grond te werken, alsmede het slepen van weiland, om mestplakken en molshopen te verbreiden en/of gestrooide mest over de grasmat uit te strijken. Hoe de hieronder voorkomende vormen ''eg'' + ''eg'' en ''eggen'' + ''eggen'' verstaan moeten worden, is aangegeven in de lemmata ''eg'' en ''eggen''. [JG 1a + 1b + 1c; N 11, 81 + 85; N 11A, 173c + 180; S 33; L 6, 66; div.; monogr.] || slepen (ww) [SGV (1914)] || Slepen: iets zo voorttrekken dat het over of langs iets glijdt (slepen, staarten). [N 84 (1981)]
I-2, III-1-2
|
| 19374 |
sleutel |
sleutel:
sjleutel (L331p Swalmen)
|
Een voorwerp dat dient om deuren die op slot zijn, te openen(sleutel, sleuter, smet) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 31391 |
sleutelvijl |
sleutelvijl:
šlø̜tǝlvī.l (L331p Swalmen)
|
Stalen vijl van 10 tot 20 cm lengte voor het bewerken van sloten en sleutels. Het blad van de vijl kan plat, spits-plat of spits toelopend van vorm zijn. De doorsnede ervan is vierkant, driehoekig, rond of halfrond. Zie ook afb. 106. [N 33, 96; N 33, 93]
II-11
|
| 24952 |
slib, rivierbodem |
slibsel:
sjlibsəl (L331p Swalmen),
todder:
toter (L331p Swalmen)
|
slib, geheel van de bodembestanddelen die door water worden meegevoerd of zich uit water hebben neergezet, wanneer het nog niet verhard is [slob,blets, blei] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 22469 |
sliepuit |
sliepuit:
sjlie:p oe:t (L331p Swalmen),
sjliep oet (L331p Swalmen),
sliep oet (L331p Swalmen),
sliepuit, sliepuit, alle kinderen lachen dich uit:
sjlīē.p oe.t, sjlīē.p oe.t, alle kinnjer lache dich oe.t (L331p Swalmen)
|
Iemand bespotten door met de ene wijsvinger langs de andere te strijken en daarbij te roepen [sliep uit, sliep uit]. [N 88 (1982)] || uitsliepen: inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 07 (1961)]
III-3-2
|
| 31588 |
slijkvanger |
slijkplaat:
šlīkplāt (L331p Swalmen)
|
Metalen plaat boven de as, tussen het asblok en de binnenzijde van de naaf, die dient als bescherming tegen van het karwiel afvallende modder. [N 17, 68; NG, 50e]
II-11
|
| 18022 |
slijm |
slijm:
sjlīēm (L331p Swalmen),
sjlîêm (L331p Swalmen)
|
Slijm: kleverige taaie stof, als afscheiding van de slijmvliezen (slijm, zwadder). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 34180 |
slijm bij de nageboorte |
slover:
šlǭvǝr (L331p Swalmen)
|
Kleverige slijm bij de nageboorte. [N 3A, 57b]
I-11
|