| 24749 |
slangewortel |
aronskelk:
WLD
aaronskelk (L331p Swalmen)
|
Slangewortel (calla palustris een 15 tot 30 cm hoge plant. De bladeren zijn hartvormig; de bloemen groeien in een kolf, de plant is tweeslachtig, omgeven door een schutblad; de rode bessen van de plant zijn giftig. Bloeitijd in mei en juni (kalle, arons [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 17553 |
slank |
mager:
máager (L331p Swalmen),
smal:
sjmāāl (L331p Swalmen)
|
Slank, tenger: rank, smal gebouwd (slank, raal, reel, rank, riede). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 17835 |
slaperig |
slaperig:
sjlaoperig (L331p Swalmen),
sjlâoperich (L331p Swalmen)
|
Slaperig: geneigd zijn tot slapen (slaperig, dommelig, dwaas, vaakluis). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 20647 |
slappe koffie |
zauwel:
zawwel (L331p Swalmen)
|
Slappe koffie (lierie, loerie, zwadder, zwoelie, poelie, poelespaat, poelieprats, laarie, paalie, pèùjt, merriezèèjk?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 32573 |
slecht bemesten |
(het land) kree omdoen:
krēi̯ omdō.n (L331p Swalmen),
het kree aanleggen:
ǝt krēi̯ ā.nlegǝ (L331p Swalmen),
zaaien op andermans kosten:
zɛi̯ǝ ǫp˱ aŋǝrmans kø̜stǝ (L331p Swalmen)
|
Het gebruik van weinig of geen mest of van mest van slechte kwaliteit heeft tot gevolg dat de opbrengst gering is en de grond uiteindelijk uitgeput raakt. Een gevolg hiervan is weer dat het bedrijf er op achteruit gaat. Als redenen voor slechte bemesting kunnen genoemd worden: armoede, gierigheid of ondeskundigheid. [N 11, 26; N 11A, 31; JG 1b add.]
I-1
|
| 25216 |
slecht dragend ijs |
windijs:
windjies (L331p Swalmen)
|
ijs waar het water onderuit is gelopen [holijs, bomijs, papieren zolder] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 33751 |
slecht gesneden hengst |
klophengst:
klǫpheŋs (L331p Swalmen),
piet:
pit (L331p Swalmen)
|
Bij de piet is slechts één teelbal uitgesneden; men kan daarom spreken van een halfgelubde hengst. Bij de klophengst zijn één of beide zaadballen niet uit de buikholte ingedaald; hij mag niet voor de kweek gebruikt worden, omdat dit erfelijk is, en wordt door het verbrijzelen der teelballen met een houten hamer ongeschikt gemaakt tot de voortteling. Wie veel fokmerries bezit, gebruikt wel eens een klophengst om uit te proberen of de merries hengstig zijn en alzo de kostbare dekhengsten te sparen. [JG 1a, 1b; N 8, 20, 61a en 61b; monogr.]
I-9
|
| 17542 |
slecht groeien |
niet wassen:
wàsse (niet) (L331p Swalmen)
|
Slecht groeien, gezegd van een kind (kooieren). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 18946 |
slecht mens, slechte kerel |
lage, een -:
léége (L331p Swalmen),
onmens:
onmiens (L331p Swalmen)
|
iemand met een slecht karakter [schoef, schobbert, ontmens, galgenaas, slechterik, schoefel] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 33828 |
slecht van bouw |
holle kast:
hǭlǝ kas (L331p Swalmen)
|
De antwoorden van de correspondenten doelen vooral op een hol paard met ingevallen flanken en uitstekende heupen. Vgl. het lemma ''harmonisch van bouw'' (4.3.1). [N 8, 62k, 62l en 78a]
I-9
|