| 25426 |
slachthout |
kromhout:
krōmphǫwt (L331p Swalmen),
krǫmphǫwt (L331p Swalmen)
|
Het stuk hout waaraan het geslachte dier ter verdere verwerking wordt opgehangen. De semantische overeenkomst met "spanhout" is vrij groot, omdat het spanhout en het slachthout tegelijk de functie kunnen hebben het "dichtklappen" van het dier te voorkomen. Toch zijn beide begrippen in twee aparte lemmata verwerkt. Zie ook het lemma ''spanhout''. [N 28, 64; N 28, 66; N 5aII, 62b]
II-1
|
| 25343 |
slachtklaar |
vaardig:
vē̜rdǝx (L331p Swalmen)
|
Bij het lezen van dit lemma moet men beseffen dat het begrip "slachtklaar" door de respondenten verschillend opgevat kan zijn. De betekenis kan zijn "vet genoeg om geslacht te worden" of "gereed staande voor de slachter of het slachthuis". [N 3a, 78]
II-1
|
| 34049 |
slachtrijp |
vaardig:
vē̜rdex (L331p Swalmen)
|
Vet genoeg om geslacht te worden, gezegd van het mestkalf. [N 3A, 78]
I-11
|
| 17871 |
slag |
klats:
klats omme ore (L331p Swalmen),
opneuker:
opnĕüker (L331p Swalmen),
ópnèùker (L331p Swalmen),
slag:
schlaag (L331p Swalmen),
schlêg (L331p Swalmen),
sjlaag (L331p Swalmen),
veeg:
vééch (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
Oorveeg: slag om de oren (raps, oorveeg, opneuker, mot, blamot, appelvlink, sabelets, pees, lap, draai, laps, klap, lek, konkel, fleer, hababbel). [N 84 (1981)] || Slag op de kaak; muilpeer (flets, fleer, plakkaat, kek, kokarde, klamats). [N 84 (1981)] || slag, klap, stomp [SGV (1914)] || Slag, klap: een slaande beweging met het doel om te treffen (gleer, smijt, klets, wiks, batter, bats, veeg, ketter, maai). [N 84 (1981)] || slagen (mv) [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 34594 |
slaghout |
slotbalk:
šlǭt˱balk (L331p Swalmen),
sluiting:
šlū.teŋ (L331p Swalmen)
|
Het losse houten, soms draaibare balkje onder de slagkar dat dient om de bak vast te zetten en te voorkomen dat hij onverwacht kipt. Dit balkje moet weggenomen of -gedraaid worden eer men de bak kan doen kippen. Er zijn verschillende soorten vergrendelingen: 1. een balkje dat onder de berries door wordt geschoven in twee krammen die onderaan in de draagbomen van de kar zijn bevestigd; 2. een balkje dat in het midden doorboord is en onderaan in het midden van een van de voorste scheien van de karbak vastgemaakt is. Het kan onder de bak gedraaid worden en vastgezet in de twee haken onderaan de draagbomen van de bak; 3. het balkje kan ook boven de berries en de draagbomen op de schoot van de kar aangebracht worden. [N 17, 20; N G, 56f]
I-13
|
| 22825 |
slaghout bij het beugelen |
slager:
sjlaeger (L331p Swalmen),
slaghout:
sjlaaghout (L331p Swalmen)
|
2. Slaghout (bij bep. balspelen). || Slaghout (spec. bij het beugelen).
III-3-2
|
| 34593 |
slagschei |
stootschei:
štōtšęi̯ (L331p Swalmen)
|
De verbindingsschei(en) waarop de neergeslagen bak van de slagkar rust. [N 17, 19; N G, 56d]
I-13
|
| 24375 |
slak |
slak:
schlak (L331p Swalmen),
schlek (L331p Swalmen)
|
slak [SGV (1914)] || slak, alg. [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 24377 |
slakkenhuis |
slakkenhuisje:
schlekkenhuuskə (L331p Swalmen)
|
slakkenhuisje [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 24378 |
slang |
slang:
sjlang (L331p Swalmen),
WLD
sjlang (L331p Swalmen)
|
Hoe noemt u het dier met een langgerekt, rolrond, door schubben bedekt lichaam zonder ledematen; het beweegt zich voort door zijn lichaam te krommen (slang, serpent) [N 83 (1981)]
III-4-2
|