| 26397 |
scheut |
kiem:
kēm (L331p Swalmen),
kien:
kē.n (L331p Swalmen),
scheut:
šø̄t (L331p Swalmen),
scheutje:
šø̄tjǝ (L331p Swalmen)
|
Uitspruitsel van een plant, inzonderheid de aardappel. Vaak is er een meervoud gevraagd of opgegeven; vaak ook zijn de enkelvoudsvormen gelijk aan de meervoudsvormen. Alleen wanneer uitdrukkelijk de meervoudsvormen werden gevraagd en opgegeven, zijn deze ook hier opgenomen. Bij de verkleinwoorden onder het type scheutje is het ondoorzichtig of het om het grondwoord scheut of schot gaat. Kien moet begrepen worden als een contaminatie van kiem (voor de klinker) en kijn (voor de slotmedeklinker). Zie ook het lemma Uitlopers Van Kuilaardappelen. [N M, 16a; JG 1a, 1b; L 1, a-m; L 1u, 120; L B2, 282; S 17; S 31; monogr.; add. uit L 30, 39; S 22]
I-5
|
| 33908 |
schiefelbeen |
schiefelbeentje:
šīfǝlbęi̯nkǝ (L331p Swalmen)
|
Schiefels zijn harde beenwoekeringen aan het het pijpbeen, bij jonge paarden meestal aan het voorbeen onder de knie, als gevolg van bepaalde spanningen, stoten, strijken e.d. Als deze afwijking het kniegewricht of de buigpezen verhindert goed te functioneren, kan ze een peesontsteking veroorzaken, met chronische kreupelheid als gevolg, wat zelden voorkomt. De beenvorming blijft evenwel. Zie afbeelding 22. [N 8, 32.6, 32.14, 90d en 90e; monogr.]
I-9
|
| 17823 |
schielijk vallen |
kwakken:
kwakke (L331p Swalmen),
vallen:
Is algemener [RK].
válle (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
vallen, Snel, schielijk ~ (brussen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 21365 |
schieten |
schieten:
scheetə (L331p Swalmen)
|
schieten [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 23634 |
schietgebed(je) |
schietgebedje:
sjietgebedje (L331p Swalmen)
|
Een schietgebed(je), stootgebed. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23637 |
schietgebedjes doen |
schietgebedjes doen:
sjietgebedje doon (L331p Swalmen)
|
Schietgebedjes doen [kreppelen?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 25366 |
schietmasker |
pistooltje:
peštø̜lkǝ (L331p Swalmen)
|
Het schietmasker, officieel het "penschietmasker" genoemd, is een dikke, stalen pijp, ongeveer 20 cm lang, aan een uiteinde voorzien van een slagpinsysteem. Met de slagpin wordt een patroon tot ontploffing gebracht, die een holgeslagen pin uit de pijp drijft. De pin dringt door de schedel van het slachtdier heen in de hersenen. Voordat het schietmasker in gebruik kwam (volgens de respondent van L 321 wordt het schietmasker gebruikt sinds ± 1920), gebruikte men onder andere een apparaat met behulp waarvan een kogel door de schedel werd geschoten. Een dergelijk apparaat waarmee een kogel wordt afgeschoten is zonder meer gevaarlijk voor de omstanders. Het schietmasker is het veiligst en ook het meest bedrijfszeker. Het dankt de naam aan het feit dat het vroeger voorzien was van leren lappen die de ogen van het dier bedekten om te voorkomen dat het angstig werd. Een primitieve voorganger van het schiet-masker is een holle pijp met een uitstekend handvat dat de helper van de slachter vasthoudt. Laatstgenoemde slaat met een hamer een pin die zich in deze buis bevindt door de schedel van het slachtdier. Zie afb. 4.1 [N 28, 5d; monogr.]
II-1
|
| 22573 |
schietschijf |
schietschijf:
sjeetsjief (L331p Swalmen)
|
Schietschijf.
III-3-2
|
| 23177 |
schiettent |
schiettent:
sjeettent (L331p Swalmen)
|
Schiettent.
III-3-2
|
| 20687 |
schijf braadspek |
gebraden spek:
gebraoje sjpek (L331p Swalmen)
|
Stuk gebraden spek (spekbraoj, braoj?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|