| 19564 |
schenkkan |
bierkan:
beerkan (L331p Swalmen),
kan:
kan (L331p Swalmen),
waterkan:
waterkan (L331p Swalmen)
|
karaf in het algemeen [N 20 (zj)] || karaf; inventarisatie soorten en gebruiksmogelijkheden (bierkrachtje, jeneverkrachje); betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 18298 |
scheren |
scheren:
sjaire (L331p Swalmen)
|
scheren [DC 38 (1964)]
III-1-3
|
| 21813 |
scherp de waarheid zeggen |
de zegen geven:
de zéége gééve (L331p Swalmen),
uitkafferen:
oetkaffere (L331p Swalmen)
|
iemand scherp de waarheid zeggen [blijspeten, uitschijten, bijvegen, uitmesten] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 32794 |
scherp eggen |
scherp [eggen]:
šɛrǝp (L331p Swalmen)
|
Werken met een eg die "scherp" is aangespannen. De tanden van de eg staan dan schuin naar voren gericht en gaan dientengevolge diep door de grond heen. Zie afb. 69. De termen zijn primair van toepassing op het werk met de oude houten eg die schuingeplaatste tanden had. In streken waar men gezien de grondsoort met één egtype kon volstaan en bij de bestrijding van onkruid uitsluitend of voornamelijk scherp egde, kan voor "scherp eggen" en "onkruid uiteggen" dezelfde term in gebruik zijn (geweest). Voor het werkwoordelijk deel eggen en de weglating daarvan bij de varianten, zien men de toelichting bij het lemma ''eggen''.' [JG 1a + 1b add.; N 11A, 173a; N P, 15a; monogr.]
I-2
|
| 34199 |
scherp inhebben |
(een/het) ijzer inhebben:
(de koe heeft) īzǝr en (L331p Swalmen),
(het) scherp in:
ǝt šɛrp en (L331p Swalmen)
|
Spijsverteringsstoornis die ontstaat doordat de koeien met het voedsel scherpe voorwerpen als stukjes ijzerdraad, spijkers en spelden opnemen. Wanneer deze scherpe voorwerpen in de netmaag terechtkomen, kan er een ernstige spijsverteringsstoornis ontstaan. De dieren herkauwen niet meer, nemen geen voedsel meer op en hebben een lichte trommelzucht. Omdat de netmaag slechts door het middenrif van het hart en hartenzakje gescheiden is, kunnen scherpe voorwerpen gemakkelijk daar terechtkomen. Ze veroorzaken dan een ernstige etterige ontsteking die kan leiden tot de dood van het dier. Zie ook het lemma ''scherp inhebben (ijzer)'' in wbd I.3, blz. 471-472. [N 3A, 93; A 48A, 53]
I-11
|
| 17726 |
scherp kijken |
-niet kijken ??:
nej kieke (L331p Swalmen)
|
kijken: scherp kijken [miere, blieke] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17801 |
scherp luisteren |
horen:
hêûre (L331p Swalmen)
|
[N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 19403 |
scherp, snede |
snede:
sjnee (L331p Swalmen)
|
De snijkant van een mes (snee, scherp, waad) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 24766 |
scherpe boterbloem |
boterbloem:
bôtterbloom (L331p Swalmen)
|
Scherpe boterbloem (ranunculus acris 20 tot 90 cm groot. De stengels zijn behaard; de bladeren zijn handvormig gedeeld of gespleten met gelobde slippen, ze zijn langgesteeld, tevens behaard; de bloemen zijn vrij groot, met ronde steeltjes en zijn goudge [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 34276 |
scheukpaal |
schuurpaal:
šū.rpǭl (L331p Swalmen),
šūrpǭl (L331p Swalmen)
|
Een paal in de weide waaraan het vee zich kan schuren. [N 14, 69; S 31; monogr.]
I-11
|