| 34579 |
scheen van de asarm |
scheen:
šēn (L331p Swalmen),
scheenas:
šiǝnas (L331p Swalmen)
|
Het met ijzer versterkte uiteinde van de houten as waarmee de as in de naafholte steunt. [N 17, 55; N G, 49b]
I-13
|
| 23557 |
scheepje voor de wierook |
schuitje:
sjuutje (L331p Swalmen)
|
Het scheepje waarin de wierookkorrels worden bewaard [scheepke, schipke, schuitje, sjuutje?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 18402 |
scheermes |
scheermes:
sjaermets (L331p Swalmen)
|
een mes waarmee men de baardharen afscheert [scheermes, schars, schors] [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 34587 |
schei |
scheien:
šęi̯ǝ (L331p Swalmen)
|
Elk van de houten balkjes die de berries verbinden en scheiden en zo de berries evenwijdig houden. Deze balkjes worden door openingen in de berries gestoken en door middel van spieën stevig vastgezet. Het aantal scheien van een kar is afhankelijk van de lengte van de berries. Een hoogkar heeft bijgevolg meer scheien dan een stortkar. [N 17, 24 + 40; N 8, 106; N G, 56e + 58a; JG 1a, JG 1b; monogr]
I-13
|
| 19070 |
schelden, schimpen |
schelden:
scheljə (L331p Swalmen),
sjelje (L331p Swalmen),
sjèlje (L331p Swalmen),
zwegelen:
schwêgələ (L331p Swalmen)
|
op onwaardige wijze kritiek uitspreken [schimpen, spijkeren] [N 85 (1981)] || schelden [DC 47 (1972)], [SGV (1914)] || schimpen [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 18952 |
schelm |
rekel:
raekel (L331p Swalmen),
réékel (L331p Swalmen)
|
een persoon die allerlei streken uithaalt op een grappige manier en daarmee geen kwade bedoelingen heeft [kufer, rakker, rekel, schelm, dianter, loebas, brak] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 24897 |
schemeren |
grauw worden:
’t begint grauw te wèère (L331p Swalmen),
het schemert me voor de ogen:
’t sjeemert mich veur de auge (L331p Swalmen),
schemeren:
sjeemere (L331p Swalmen),
’t begint gauw te sjeeͅmere (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
als het nog niet helemaal donker is zonder licht zitten.
sjemere (L331p Swalmen)
|
donker worden [duisteren] [N 91 (1982)] || schemeren; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 22 (1963)] || schemering, de overgang van licht naar donker [grouwe, griebelegrouwe] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 17728 |
schemeren van de ogen |
schemeren:
t sjemert mich veur de ouge (L331p Swalmen)
|
schemeren voor de ogen, sterretjes zien [mijn oogen schiemere] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 25023 |
schemering, valavond |
schemer:
sjemer (L331p Swalmen),
schemering:
scheeməring (L331p Swalmen)
|
schemering [SGV (1914)] || schemering, de overgang van licht naar donker [grouwe, griebelegrouwe] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 20510 |
schenkel |
achterschenkel:
axtǝršeŋkǝl (L331p Swalmen),
schenkel:
schinkəl (L331p Swalmen),
sjinkel (L331p Swalmen),
sjinkəl (L331p Swalmen),
voorschenkel:
vø̄ršeŋkǝl (L331p Swalmen)
|
Bovenbeen boven de knie. Zie afbeelding 2.39. [N 8, 32.8, 32.9, 32.10 en 32.11] || schenkel [SGV (1914)] || schenkel; Hoe noemt U: Het onderste gedeelte van de achterpoot van een rund met het vlees eraan (schinkel, schenkel, bout, schenk, schonk) [N 80 (1980)]
I-9, III-2-3
|