| 19404 |
rug van het lemmer |
rug:
rökg (L331p Swalmen)
|
De niet-scherpe zijde van een mes (rug, botte kant) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 33198 |
rug, aangeaard stuk |
rug:
rø̜q (L331p Swalmen),
wal:
węl (L331p Swalmen)
|
De verhoogde rug of wal die ontstaat bij het aanaarden van de aardappelen. Bij holvoor(de) heeft betekenisoverdracht plaatsgevonden; het is eigenlijk de open voor naast de rug. [N 12, 27; monogr.]
I-5
|
| 17640 |
ruggengraat |
rugstrang:
rökstjrank (L331p Swalmen)
|
rug: ruggegraat [ruggestrang, ruggegraat] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17641 |
ruggenwervel |
wervel:
wirvel (L331p Swalmen)
|
[N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 33989 |
rugnet |
kruisdeken:
krȳts˱dękǝ (L331p Swalmen),
vliegengaren:
[vliegengaren] (L331p Swalmen)
|
Vliegennet dat over de rug van het paard wordt gehangen. Een groot aantal opgaven zijn benamingen voor het vliegennet in het algemeen. Zie voor de fonetische documentatie het lemma Vliegennet [JG 1a; N 13, 83c]
I-10
|
| 33974 |
rugriem |
lichtriem:
lexrēm (L331p Swalmen),
rugriem:
rø̜krēm (L331p Swalmen)
|
Riem die een paard dat niet tussen berries is ingespannen op de rug draagt om de strengen op te houden. De rugriem wordt ook gebruikt bij het voorste van twee ingespannen paarden. [JG 1b, 1c, 1d; N 13, 69]
I-10
|
| 21936 |
ruien |
ruien:
ruije (L331p Swalmen),
ruizelen:
ruuzele (L331p Swalmen)
|
Hoe heet het volledig vernieuwen van het vederkleed? [N 93 (1983)] || veer: elk der huidbekleedsels van een vogel bestaande uit een buisje dat aan weerszijden baarden en baardjes draagt (pluim, veer) [N 100 (1997)]
III-3-2, III-4-1
|
| 32578 |
ruige mest |
lang mest:
la.ŋk [mest] (L331p Swalmen),
mest:
nyi̯ [mest] (L331p Swalmen),
ruw mest:
rūu̯ [mest] (L331p Swalmen),
vliegerd:
vlēgǝrt (L331p Swalmen)
|
Ruige mest is mest die pas uit de stal is gekomen en daarom nog onverteerd stro bevat. Deze mest vormt aanvankelijk de boven- of buitenlaag van de mesthoop, die o.i.v. zon en wind gemakkelijk verdroogt. Hij heeft daarom ook (nog) niet de kwaliteit van de in het vorige lemma bedoelde mest, die langer en dieper in de mesthoop heeft gezeten. De plaatselijke varianten van [mest [N M, 10b; N 11, 27 add.; N 11A, 4b; JG 1a + 1b add.; div.]
I-1
|
| 22380 |
ruilen (als spel) |
koetelen:
Vr koetelde ne sjeetköls taenge vief klejkölse.
koetele (L331p Swalmen),
ruilen:
Zie toese.
rule (L331p Swalmen),
tuisen:
toese (L331p Swalmen),
Poszegels -.
toese (L331p Swalmen)
|
Het spel waarbij men voorwerpen met elkaar ruilt [ruilen, koetelen, tuilen, toesen, tuisen, mangelen, tuitelen, paarden]. [N 88 (1982)] || Ruilen.
III-3-2
|
| 33435 |
ruimte waar men stro hakselt en bewaart |
hakselkooi:
hɛksǝlkōi̯ (L331p Swalmen),
strozolder:
štrø̄zø̜ldǝr (L331p Swalmen)
|
Het stro dat als veevoer wordt gebruikt, wordt gehakseld (in stukken gesneden) en bewaard in een speciaal daartoe ingerichte "hakselbewaarplaats", of ergens waar toevallig plaats is (meestal in de schuur). Zie ook aflevering I.4, paragraaf 6.4 (blz. 149) over het snijden van het stro. Een aantal benamingen betreft niet de ruimte in de zin van een vertrek, maar een kist, bak of ton waarin het stro gehakseld dan wel het haksel bewaard wordt. De bewerkingen, hakselen, snijden en bewaren, worden in het lemma weerspiegeld. Opgaven als "in de schuur" of "in het kafhuis" zijn hier niet gehonoreerd. [N 5A, 72a en 72b; div.; monogr.]
I-6
|