| 24524 |
rozenbottel |
miepeteer:
miepətêrə (L331p Swalmen),
rozenbol:
WLD
ròozebul (L331p Swalmen),
rozenbottel:
rozebottel (L331p Swalmen)
|
rozenbottel [SGV (1914)] || rozenbottel (vrucht van de hondsroos: papetuutje, papetoet, hanekul, wepen, klokke, rozenbottel). [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 23721 |
rozenhoedje |
rozenkrans:
rozekrans (L331p Swalmen)
|
Een Rozenhoedje (waarbij men 1 maal het bidsnoer langs gaat). [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23716 |
rozenkrans |
rozenkrans:
rozekrans (L331p Swalmen)
|
De rozenkrans, het bidsnoer [bid-vr-ons?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23722 |
rozenkransgebed |
drie rozenkrans:
drie rozekrens (L331p Swalmen)
|
Het Rozenkransgebed (hierbij gaat men 3 maal het bidsnoer langs) . [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23730 |
rozenkransmaand |
rozenkransmaand:
rozekransmaondj (L331p Swalmen)
|
De Rozenkransmaand (d.w.z. oktober). [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 20846 |
rozijn |
rozijn:
rezīēn (L331p Swalmen),
WLD
rezien (L331p Swalmen)
|
Een gedroogde druif (rozijn, serzijn). [N 82 (1981)]
III-2-3
|
| 20851 |
rozijnenbrood |
rozijnenmik:
reziènemik (L331p Swalmen)
|
brood, waarin rozijnen gebakken worden [N 29 (1967)]
III-2-3
|
| 17767 |
rug |
rug:
ruk (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
rug [DC 01 (1931)], [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 32882 |
rug van het blad van de zeis |
rug:
rø̜k (L331p Swalmen)
|
De opstaande stevige rand aan de buitenzijde van het blad van de zeis. Zie afbeelding 5, nummer 5. [N 18, 68e; JG 1a, 1b]
I-3
|