| 20676 |
room |
room:
roum (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
rǫu̯m (L331p Swalmen)
|
De room van de melk (de zaon?) [N 16 (1962)] || Het vette deel van de ongekookte melk dat boven komt drijven, als men de melk rustig laat staan. [N 6, 15a; N 16, 17; L 6, 15; L 14, 22; JG 1a, 1b, 2c; A 7, 15; A 39, 7a; Wi 53; Gwn 10, 1; monogr.] || room [SGV (1914)]
I-11, III-2-3
|
| 20743 |
roomhorentje |
roomhorentje:
Op de -ò- staat ook nog een lengteteken (T.v.d.W.)
roumhòrkes (L331p Swalmen)
|
Roomhoren (kréémhorre, vulhorentje, zweretige vinger?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 19588 |
roompot |
roomduppen:
rǫu̯mdø̜pǝ (L331p Swalmen),
roompot:
rǫu̯mpot (L331p Swalmen)
|
Stenen pot waarin men de room bewaart. [N 12, 59; A 7, 15; JG 1d, 2c; monogr.]
I-11
|
| 34243 |
roomschotel |
uiles:
ȳlǝs (L331p Swalmen)
|
Aarden schotel waarin men de versgemolken melk enige tijd laat staan, totdat de room bovendrijft. Vergelijk ook het lemma ''aarden pot'' in wld II.8, blz. 25-26. [N 12, 60; JG 1c, 2c; add. uit N 5A (I]
I-11
|
| 18100 |
roos (rode uitslag) |
roos:
roos (L331p Swalmen),
rôos (L331p Swalmen)
|
huiduitslag, Rode ~ met jeuk (roos, bresil, zomerbrand). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 20084 |
roos (rosa) |
roos:
roos (L331p Swalmen),
ruəzən (L331p Swalmen)
|
roos [SGV (1914)] || rozen [RND]
III-2-1
|
| 22426 |
roos van de schietschijf |
roos:
roos (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
De ronde plek die dient als middelpunt van een schietschijf [roos, gaudeaan]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 20537 |
roosteren |
roosteren:
reustere (L331p Swalmen),
rēūstərə (L331p Swalmen)
|
roosteren; Hoe noemt U: Op een rooster braden (roosteren, horsen, hersen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 34607 |
rosbak |
rosbak:
ros˱bak (L331p Swalmen)
|
Onder de kar opgehangen bak of mand voor proviand. [N 17, 85]
I-13
|
| 34606 |
rosdoek |
rosdoek:
rø̜s˱dōk (L331p Swalmen),
rǫs˱dōk (L331p Swalmen)
|
Een onder de kar opgehangen doek waarin onder meer paardenvoer kan worden opgeborgen. [N 17, 84; A 26, 3a; monogr]
I-13
|