| 24409 |
ritnaald, larve van de kniptor |
koperworm:
koperwurm (L331p Swalmen)
|
ritnaald, koperworm, schadelijke kniptor-larve die van plantenwortels leeft [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 31313 |
ritsbeitel, kantbeitel |
kruisbeitel:
krȳ.ts˱bęjtǝl (L331p Swalmen)
|
Stalen beitel die dient voor het hakken van smalle groeven in metaal. De beitel heeft een enigszins speervormig toelopende punt, die smaller is dan het hechtgedeelte. Zie ook afb. 51. Volgens de invuller uit Q 121 diende de kruisbeitel om ijzer, klinknagels en lassen weg te kappen bij smalle gleuven. De beitel had een lengte die varieerde van 100 mm tot 250 mm. [N 33, 120; N 33, 111; N 33, 116; N 33, 117]
II-11
|
| 25039 |
ritselen |
ritselen:
ritsele (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
ritsələ (L331p Swalmen)
|
een zacht, onregelmatig, schuifelend, ruisend of krakend geluid geven [ritselen, rispelen, snirsen, krimmelen] [N 91 (1982)] || ritselen [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 24317 |
riviergrondel |
grond:
grundj (L331p Swalmen),
WLD
grunjt (L331p Swalmen)
|
Hoe noemt u de grondel: een zoetwatervisje dat voorkomt in stromend en stilstaand water. Het is langgerekt van vorm en heeft één paar voeldraden aan de bek. Op de rug en flanken is het donker gevlekt en gestippeld met een groene of blauwachtige weerschijn [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 24647 |
robinia |
acacia:
acacia (L331p Swalmen),
WLD
acacia (L331p Swalmen)
|
De acacia; heeft 10-35 cm. grote varenachtige bladeren samengesteld uit deelblaadjes van 3-5 cm lengte; in het begin van de zomerdraagt de boom hangende bloemtrossen; de takken wijzen soms naar boven (acacia, asdoorn). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 18058 |
rochelen |
rochelen:
rochələ (L331p Swalmen),
ròchele (L331p Swalmen)
|
rochelen [SGV (1914)] || rochelen [klieke, kwalsteren, kwaaieren] [N 10a (1961)]
III-1-2
|
| 33478 |
rode aalbes |
miemelen:
De vrucht van een aalbessenstruik (bes, zembes, troskesbes, zeebes, bezing, aalbeer, miemer).
mīēmel (L331p Swalmen),
miemelten:
De vrucht van een aalbessenstruik (bes, zembes, troskesbes, zeebes, bezing, aalbeer, miemer).
miemelte (L331p Swalmen),
rode en witte bessen
miemelte (L331p Swalmen),
miemerten:
miemert (L331p Swalmen),
aalbes
miemert (L331p Swalmen),
miemerte (L331p Swalmen)
|
aalbes [N 82 (1981)], [SGV (1914)] || bes [SGV (1914)] || bessen [SGV (1914)]
I-7
|
| 33231 |
rode biet |
rode kroot:
rōi̯ krǫt (L331p Swalmen)
|
Beta vulgaris L. var. rubra L. Deze bietensoort hoort eigenlijk onder de groenten uit de moestuin, en daardoor in de aflevering over de boerderij en het erf, maar is toch hier ondergebracht vanwege "lexicale nabijheid" met biet, kroot. De knollen met een doorsnee van 8-10 cm worden gekookt en warm of koud als salade gegeten. De knollen en het kookvocht hebben een felle donkerpaarse kleur. [A 4, 26d; A 13, 2a; A 49, 1b; L 20, 26d; monogr.]
I-5
|
| 24508 |
rode bosbes |
marmelt:
blauwe, rode niet bekend
marmelte (L331p Swalmen),
WLD
marmelte (L331p Swalmen)
|
De rode bosbes, vossebes (bospalm, naagdebes, kwachtbes, gourbes, kroos, kreus, rode bleek). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 24405 |
rode bosmier |
dikke amezeik:
dieke aomezeik (L331p Swalmen)
|
bosmier, (grote) rode ~ [stekkedraoger, brak] [N 26 (1964)]
III-4-2
|