| 33033 |
pikkeling, zwad met een slag afgepikt |
inslag:
enšlāx (L331p Swalmen)
|
Hoeveelheid graan die men met één slag afpikt; vergelijk het lemma ''zwad, houw'' (3.1.4) in aflevering I.3. De enqu√™tes van Goossens hebben voor dit begrip niet veel opgaven opgeleverd; de vraag uit N 15, 16 levert slechts indirect materiaal op voor het begrip "pikkeling". Zie de algemene toelichting bij deze paragraaf.' [A 23, 16.1a; L 48, 34.1a; Lu 1, 16.1a; Lu 2, 34.1a; monogr.; add. uit N 15, 16e; JG 1a, 1b, 1c, 2c]
I-4
|
| 23376 |
pilaar |
pilaar:
pilaer (L331p Swalmen)
|
Een pilaar, de pilaren [pielder(s), pilèèr(e)?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 24225 |
pimpelmees |
bijenvreter:
bieëvrèter (L331p Swalmen),
bijmusje:
biemöske (L331p Swalmen),
bīēmöske (L331p Swalmen)
|
pimpelmees || pimpelmees (11,5 blauwe kop, gele onderkant; nogal bekend, komt voor als koolmees [052] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 31457 |
pinhamer |
pinhamel:
penhāmǝl (L331p Swalmen)
|
In het algemeen een hamer waarvan de kop aan één kant of aan twee kanten in een punt eindigt. Zie ook afb. 153. De hamer wordt gebruikt om metaal tot een rand of boord uit te slaan en, volgens de invuller uit L 321, bij het vervaardigen van dekseltjes en ellebogen voor de kachelpijpen van stoofkachels. Zie voor het tweede lid van het woordtype pinzet (Q 116) ook RhWb viii, kol. 92 s.v. ɛsetzenɛ, ...durch Hämmern den Geräten die gewünschte Form geben, sie krumm biegen, in der Sprache der Schmiede".' [N 33, 58; N 33, 59; N 33, 66; N 33, 67; N 33, 68; N 64, 39i-j; N 66, 6i-j; N 66, 6l; monogr.]
II-11
|
| 17670 |
pink |
pink:
pink (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
pēŋk (L331p Swalmen)
|
Eénjarig kalf, onverschillig van welk geslacht, dat nog alle melktanden heeft. [N C, 9b en 8; monogr.; add. uit N 3A, 15 en 20] || Pink, de vijfde, kleinste vinger (pinkel, pinker, pink, petieter, piepzakje). [N 84 (1981)]
I-11, III-1-1
|
| 24881 |
pinksterbloem |
kerkesleuteltje:
kerkǝšlø̄telkǝ (L331p Swalmen),
pinksterbloem:
peŋkstǝrblōm (L331p Swalmen)
|
Cardamine pratensis L. Een algemeen voorkomend, veldkersachtig plantje in graslanden, bermen en aan waterkanten met witte tot vaag lilagekleurde kruisbloempjes in trossen op een hol stengeltje en dun blad dicht bij de grond. Het bloeit van april tot juni en varieert in hoogte van 15 tot 50 cm. Niet te verwarren met de (echte) koekoeksbloem (Lychnis flos-cuculi L.; zie het lemma Echte Koekoeksbloem), die op dezelfde plaatsen groeit, maar roze-rode bloempjes heeft met gespleten kroonbladeren. Kroenekraan is de plaastelijke benaming van de kraanvogel. [N 37, 16f; A 17, 3; A 49B, 3; monogr.]
I-5
|
| 23287 |
pinksteren |
pinksten:
pinkstə (L331p Swalmen)
|
Pinksteren [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 22732 |
pinstokken (voor de slee) |
ijsstikkers:
īē.ssjtikkers (L331p Swalmen),
stikkers:
sjtikkers (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
pikstokken waarmee de kinderen een slee (waarop ze zitten) voortduwen [N 08 (1961)]
III-3-2
|
| 20060 |
pioen |
balroos:
-
balroos (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen,
L331p Swalmen)
|
Pioen (Paeonia officinalis L.)
I-7, III-2-1
|
| 24364 |
pissebed |
keldervarken:
WLD
kèlder-vèrke (L331p Swalmen),
tapvarken:
tapverke (L331p Swalmen)
|
Hoe noemt u de keldermot, pissebed (kelderoog, varkentje, stekelvarken, steenmot, zespoter, varkensbeest) [N 83 (1981)]
III-4-2
|