| 23172 |
piano |
piano:
#NAME?
piano (L331p Swalmen)
|
Piano.
III-3-2
|
| 23174 |
piano spelen |
pingelen:
Op eine piano pingelen.
pingele (L331p Swalmen)
|
Pingelen.
III-3-2
|
| 18806 |
piekeren |
prakkiseren:
prakkezere (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
pràkkezeere (L331p Swalmen)
|
denken: Je moet er nog maar eens over - [DC 35 (1963)] || over zijn zorgen nadenken [mijmeren, dolleren, prakkezeren, praktiseren, dubben, dromen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 24224 |
piepen |
piepen:
pīpǝ (L331p Swalmen),
sjielpen:
sjielpe (L331p Swalmen),
sjierpen:
sjierpe (L331p Swalmen)
|
een zacht piepend geluid geven, gezegd van vogels (sjirpen, tjilpen, tjerpen) [N 83 (1981)] || Geluid voortbrengen, gezegd van een jonge kip. [N 19, 48; monogr.]
I-12, III-4-1
|
| 22424 |
pijl |
pijl:
piel (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen,
L331p Swalmen)
|
De dunne lichte staaf van hout met een scherpe punt die met een boog naar een doel wordt afgeschoten [pijl, bout, teit, straal, schicht]. [N 88 (1982)] || I. Pijl.
III-3-2
|
| 24777 |
pijlkruid |
pijlkruid:
WLD
pielkroet (L331p Swalmen)
|
Pijlkruid (sagittaria sagittifolia 30 tot 100 cm hoge plant. De stengels zijn driekantig; de bladeren zijn pijlvormig, de ondergedoken bladeren lintvormig, tevens stomp; de bloemen groeien in kransen van 3, eenslachtig vrouwelijk onderaan, 3-tallig, wit [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 17991 |
pijn |
pijn:
pien (L331p Swalmen),
pin (L331p Swalmen)
|
mijn voeten doen mij erg zeer [DC 03 (1934)] || pijn [RND]
III-1-2
|
| 33800 |
pijpbeen |
pijp:
pīp (L331p Swalmen),
scheen:
(mv)
šēnǝ (L331p Swalmen)
|
Het gedeelte van het voorbeen van het paard tussen de knieschijf en de koot tot aan de kogel. Het ondereinde van het pijpbeen vormt het kootbeen. Zie afbeelding 2.23. [JG, 1b; N 8, 32.1, 32.3, 32.6, 32.11, 32.14, 32.15 en 32.16]
I-9
|
| 17794 |
pijpenkrul |
pijpenlok:
pīēpelokke (L331p Swalmen)
|
spiraalvormige haarkrul [pijpekrul, papillot, paviljot] [N 86 (1981)]
III-1-1
|
| 33055 |
pikbinder |
zelfbinder:
zɛlǝf˱benjǝr (L331p Swalmen)
|
Machine die niet alleen maait, maar het koren ook tot schoven samenbindt. Zie afbeelding 6. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [machine] zie het lemma ''maaimachine'' (3.2.18) in aflevering I.3. Kaart 36 is een woordkaart gebaseerd op het materiaal uit dit lemma; kaart 37 is een betekeniskaart, gebaseerd op het materiaal uit dit lemma èn het lemma ''graanmaaimachine'' (4.5.2) en toont waar men met de termen zicht- en pikmachine ofwel de enkelvoudige maaimachine ofwel de combinatiemachine, pikbinder, aanduidt.' [N J, 4a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|