| 21063 |
peul |
schaal:
sjââle (L331p Swalmen)
|
de peulen, de doppen van erwten of bonen [N Q (1966)]
III-2-3
|
| 33508 |
peul, dop (znw) |
schaal:
sjââle (L331p Swalmen)
|
[N Q (1966)]
I-7
|
| 33522 |
peulen, doppen (ww.) |
uitdoen:
oetdoon (L331p Swalmen)
|
[N Q (1966)]
I-7
|
| 33569 |
peulerwten |
peulen:
WLD
peul (L331p Swalmen),
sokkererwten:
sôkkerert (L331p Swalmen)
|
De peulerwt; soort van erwt waarbij de hele vrucht gegeten wordt, ook de schil (sluimerwt, hauw(ke), peul, suikererwt, blie-erwt). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 20662 |
peulvruchten afhalen |
bonen ranken:
boonə rengə (L331p Swalmen),
pezen:
peize (L331p Swalmen)
|
boonen afhalen [SGV (1914)] || erwten of bonen afhalen, van draden ontdoen [N Q (1966)]
III-2-3
|
| 20815 |
peulvruchten doppen |
uitdoen:
ôêtdoon (L331p Swalmen)
|
erwten of bonen doppen, ontpeulen [N Q (1966)]
III-2-3
|
| 20572 |
peuzelen |
genieten:
gənietə (L331p Swalmen),
peuzelen:
peuzele (L331p Swalmen)
|
peuzelen; Hoe noemt U: Langzaam en met smaak eten (pluizen, peuzelen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 25420 |
pezen |
pezen:
pēzǝ (L331p Swalmen)
|
[N 28, 63; Veldeke 15, 22; monogr.]
II-1
|
| 25421 |
pezen blootleggen |
pezen deruithalen:
pēzǝ druthǭlǝ (L331p Swalmen)
|
Men maakt een snede achter de achillespees, waardoor deze bloot komt te liggen. Door het door de snede ontstane gat steekt men meestal een balkje, vaak voorzien van inkepingen. waarin dan de pezen worden geschoven, zodat deze niet weg kunnen schuiven. Zo wordt voorkomen dat het dier "dichtklapt". [N 28, 62; monogr.]
II-1
|
| 21734 |
pezerik |
pezerik:
pēzǝrǝk (L331p Swalmen)
|
De uitgesneden roede of zaadstreng van een mannelijk varken na het slachten. Veelal gebruikt men deze zaadstreng om er de zaag of schaaf mee in te smeren. Ook werkschoenen vet men ermee in. ''s Winters wordt hij als voer aan de vogels, vooral de mezen, gegeven, soms ook met de bedoeling om de vogels te vangen. [N 28, 71; N 28, 72; monogr.]
II-1
|