| 20699 |
pannenkoekenbeslag |
deeg:
deig (L331p Swalmen)
|
Beslag voor het bakken van pannekoeken (timper?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 19443 |
pannenlap |
kwezeltje:
kwezelke (L331p Swalmen)
|
lap waarmee men hete voorwerpen van het vuur neemt (kwezel) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 29869 |
pannenvorm |
pannenvorm:
panǝvǫrǝm (L331p Swalmen)
|
Houten, enigszins holle vorm waarop de gestreken kleikoek gelegd werd. Aan de bovenzijde van de vorm bevond zich een kleine uitholling die tevoren met klei gevuld werd. Op deze wijze ontstond aan de pan de uitstulping waarmee deze over de panlat gehaakt kon worden. [monogr.]
II-8
|
| 18295 |
pantoffel |
pantoffel:
pantoefel (L331p Swalmen)
|
Pantoffel. Thuis dragen veel mensen in plaats van schoenen pantoffels of muilen. De eerste hebben wel, de andere geen opstaande achterkant. Hoe noemt men in uw dialect die met een opstaande achterkant? [DC 44 (1969)]
III-1-3
|
| 20057 |
pantoffeltje |
pantoffeltje:
pantuufelke (L331p Swalmen)
|
Pantoffeltje (calceolaria officinale). De twee meeldraden zijn beweegbaar, ongeveer als bij salie. Bladeren tegenoverstaand of verspreid, de onderste samengesteld, de bovenste alleen meer of minder ingesneden; de bladrand is dubbel gezaagd. De zwavelgele [N 92 (1982)]
III-2-1
|
| 20558 |
pap |
pap:
pap (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen,
L331p Swalmen,
L331p Swalmen,
L331p Swalmen),
pàp (L331p Swalmen)
|
brij [SGV (1914)] || brij; Hoe noemt U: Half vast, half vloeibaar gekookt gerecht van een heel of half gemalen graansoort (gort of meel) of rijst (brij, kwet, prol, pap) [N 80 (1980)] || pap [DC 35 (1963)] || Pap, heel in het algemeen [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 21954 |
pap (kropmelk) |
pap:
pap (L331p Swalmen)
|
Hoe heet verder: de pap of kropmelk waarmee de jongen eerst gevoed worden? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 21126 |
papier |
papier:
papier (L331p Swalmen)
|
papier [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 18194 |
paraplu |
paraplu:
perpluuj (L331p Swalmen)
|
paraplu [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18395 |
parel |
parel:
???el? (L331p Swalmen)
|
parel [SGV (1914)]
III-1-3
|