| 25507 |
ovenvloer |
bodem:
bǭm (L331p Swalmen)
|
De ovenvloer waarop het brood wordt gebakken. Een aantal woordtypen duidt op het materiaal waarvan de vloer is gemaakt. [N 29, 4a; monogr.]
II-1
|
| 18589 |
overall |
overall (eng.):
overall (L331p Swalmen)
|
overall, werkpak uit één stuk [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 34168 |
overdragen |
overdragen:
overdragen (L331p Swalmen)
|
Het overschrijden van de draagtijd, gezegd van de koe. [N 3A, 44]
I-11
|
| 32797 |
overdwars eggen |
dwars [eggen]:
dwē̜.rs (L331p Swalmen),
kort [eggen]:
kǫrt (L331p Swalmen)
|
Men egt een akker in de breedte om de ploegvoren te breken of om hem van onkruid te zuiveren. Meestal wordt de akker daarna ook nog eens in lengte geëgd. In de betrokken woordtypen hieronder verschijnen dwars, wars e.d. steeds met a als klinker, ook al beantwoordt aan de meeste dialectvarianten veeleer een type met e (dwers e.d.) of ee (dweers e.d.). Voor het werkwoordelijk deel eggen en de weglating daarvan bij de varianten zie men de toelichting op het lemma ''eggen''.' [JG 1a + 1b + 1c + 2c; N 11, 84b; N 11A, 176d + 189d; monogr.]
I-2
|
| 33817 |
overgevoelig paard |
kreupel:
krø̄pǝl (L331p Swalmen),
kwekerd:
kwēkǝrt (L331p Swalmen)
|
Paard dat bij het zien van mensen geluiden en bewegingen maakt, maar zonder kwaadaardigheid. [N 8, 94e]
I-9
|
| 18695 |
overhemd |
engels hemd:
Ingels haemd (L331p Swalmen),
sporthemd:
sjporthaemd (L331p Swalmen)
|
overhemd [ingels hemd, sporthemd, frontj] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33899 |
overhoef |
dikke kronen:
dikǝ krōnǝ (L331p Swalmen
[(gezwel tussen hoef en haarband)]
)
|
Verdikking van het kroonbeen boven de hoef. De knobbels op de kroonrand kunnen het gevolg zijn van eigen kroonbetrappeling, verstuiking en misstappen op een oneffen boden, of door betrappeling van andere paarden, vooral bij het draaien op het veld. Als deze beenwoekering groot van omvang is, wordt het kroongewricht stijf en gaat het paard kreupel. Zie afbeelding 14. [N 8, 90m]
I-9
|
| 32799 |
overhoeks eggen |
overoord [eggen]:
ø̄vǝr(h)ǭ.rt (L331p Swalmen)
|
Manier van eggen waarbij men met de eg schuin over de akker gaat. Men kan schuin in de lengterichting of schuin in de breedterichting eggen. Zie afb. 71. Nadat men een akker overhoeks geëgd heeft (om onkruid te bestrijden of om de grond gelijk te trekken), egt men hem gewoonlijk in de lengte af. Voor het werkwoordelijk deel eggen en de weglating daarvan bij de varianten zie men de toelichting bij het lemma ¬¥eggen¬¥. [JG 1b + 1c + 1d + 2c; N 11, 84c; N 11A, 177c; div.; monogr.]
I-2
|
| 17889 |
overhoop halen |
overhoop halen:
euverhoup haole (L331p Swalmen),
rommelen:
rôommele (L331p Swalmen)
|
Overhoop halen (modden). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 18553 |
overjas (alg.) |
overjas:
euverjas (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen,
L331p Swalmen)
|
herenoverjas; inventarisatie huidige uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 25 (1964)] || herenoverjas; inventarisatie vero uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 25 (1964)] || overjas, lange ~, dik en warm [euverpalto, palzeer, jaager] [N 23 (1964)]
III-1-3
|