| 21916 |
oude duif |
oude, een ~:
aaje (L331p Swalmen)
|
een duif die ouder dan één jaar is? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 32849 |
oude grassoorten |
haargras:
hǭrgrā.s (L331p Swalmen),
ossemuilen:
osǝmū.lǝ (L331p Swalmen),
pijpestrootjes:
pī.pǝštrø̜̄kǝs (L331p Swalmen),
rietgras:
rēt[gras] (L331p Swalmen),
schapegras:
šǭpǝgrā.s (L331p Swalmen),
smeelden:
šmē.ljǝ (L331p Swalmen),
windhaver:
we.ntjhā.vǝr (L331p Swalmen),
zoorgras:
zǭ.r[gras] (L331p Swalmen)
|
De hieronder vermelde woorden werden opgegeven op de vraag naar verschillende oude grassoorten. Na de lexikale eenvoud van het vorige lemma ''gras'', leverde deze vraag een grote oogst aan plantennamen op. Het is echter lang niet altijd duidelijk welke botanische grassoort nu precies bedoeld wordt; eenzelfde plantenvolksnaam kan immers in de ene streek een andere botanische familie of afdeling aanduiden dan in de andere streek. Naast de oude grassoorten blijken óók en vooral wilde grassoorten te zijn opgegeven die juist niet voor de weidebouw van belang zijn, maar waarmee de landbouwer en veeteler te maken heeft om ze van zijn cultuurgrond weg te houden, onkruid derhalve. Zie ook de lemma''s ''zuring'' en ''distel'' en de benamingen voor het onkruid in de akker in de aflevering over de Akkerbouw (WLD.I.1.4). Zie voor de fonetische documentatie van het woord(deel) ''gras'' het lemma ''gras''. Het lemma bevat enkelvouden en meervouden.' [N 14, 82; monogr.]
I-3
|
| 20320 |
oude man |
oud mens:
aaje miens (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
oude mens:
ŭnə aajə miens (L331p Swalmen),
oudere:
aajere (L331p Swalmen)
|
iemand van oudere leeftijd ( oude man, oude vrouw, oude van dagen) [N 102 (1998)] || oude [een ~ man] [SGV (1914)] || oude man [ouken, ouderling, oude paai, peke, pee, knar] [N 86 (1981)]
III-2-2, III-3-1
|
| 21763 |
oude mens |
oude mens:
aaje miens (L331p Swalmen)
|
oude man [N 102 (1998)]
III-3-1
|
| 18649 |
oude versleten hoed |
schabhoed:
WNT: schabbe (I) - schab, 1) oude of afgescheurde lap, vod, bel; 2) [...] geringschattend woord voor verzorgde kledingstukken, lap; 3) [...]; 4) dunne kiel; 5) mantel van geringe waarde...
sjabhood (L331p Swalmen)
|
hoed, oude versleten of ontredderde ~ [loesj, sjaphoed] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 20319 |
oude vrouw |
oude meun:
cf. VD s.v. "meu"zie moei en meui; cf. VD s.v. "meu(i), meuje
aaj meun (L331p Swalmen),
oude vrouw:
aaj vrouw (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
iemand van oudere leeftijd ( oude man, oude vrouw, oude van dagen) [N 102 (1998)] || oude vrouw [N 102 (1998)] || oude vrouw [kogehel] [N 86 (1981)]
III-2-2, III-3-1
|
| 22317 |
oudejaarsavond |
oudjaarsavond:
aadjaorsaovindj (L331p Swalmen),
aatjaorsaovendj (L331p Swalmen),
ajaors aovindj (L331p Swalmen),
silvesteravond:
Silve.ster ao.ventj (L331p Swalmen),
vester:
Vester (L331p Swalmen)
|
Oudejaarsavond || Oudejaarsavond [silvesteraovent]. [N 06 (1960)] || Silvester.
III-3-2
|
| 22318 |
oudejaarsdag |
oudjaar:
aadjaor (L331p Swalmen),
ātjōͅr (L331p Swalmen),
Ss. aadjaorsaovindj: oudejaarsavond; aadjaorsdaag: oudejaarsdag.
aadjaor (L331p Swalmen),
oudjaarsdag:
aadjaorsdaag (L331p Swalmen)
|
31 december [oudjaar]. [N 88 (1982)] || Oudejaar(sdag). || Oudejaarsdag
III-3-2
|
| 21762 |
ouden van dagen |
ouderen:
aajere (L331p Swalmen)
|
ouden van dagen [N 102 (1998)]
III-3-1
|
| 20229 |
ouders |
ouders:
eldərs (L331p Swalmen)
|
ouders [SGV (1914)]
III-2-2
|