| 31429 |
opruimer, ruimijzer, handspitsboor |
ruimer:
rȳ.mǝr (L331p Swalmen)
|
In het algemeen een werktuig om geboorde gaten ruimer te maken of te zuiveren. Er bestaan verschillende uitvoeringen van het ruimijzer. Vaak is het uitgevoerd als een lange, priemvormige, piramidale staaf van gehard staal. De doorsnede van het werktuig is dan meestal vijfhoekig, maar er bestaan ook kortere, kegelvomige ruimijzers waarin verschillende, naar de top toe lopende groeven gevijld zijn, die een snijdend effect veroorzaken. De opruimer kan in de boormachine worden gespannen met of de hand worden gedraaid. In het laatste geval wordt het werktuig dan soms geplaatst in een wringijzer, een staaf met in het midden een vierkant, verstelbaar gat. Zie ook afb. 131. [N 33, 136; N 33, 144; N 33, 163; N 33, 337; N 64, 64; N 66, 17f; monogr.]
II-11
|
| 19321 |
opscheppen |
grootsen:
grötse (L331p Swalmen),
stoefen:
sjtoefe (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
sjtôefe (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
stuiten:
Van Dale: III. stuiten, (gew.) pochen, bluffen, snoeven, opsnijden.
sjtūūte (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
het doen blijken van het gevoel dat men meer is dan anderen [trots, trotsheid] [N 85 (1981)] || zich op iets beroemen, hoog van iets opgeven, groot spreken [blozen, blazen, schochten, stoefen, mensen, zwetsen] [N 85 (1981)]
III-1-4, III-3-1
|
| 19322 |
opschepper |
oprijter:
[pers.?, RK]
òprîêter (L331p Swalmen)
|
opscheppende taal [blaai, paf, ambras, stoef] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 17866 |
opschuiven |
(zich) schikken:
zich sjikke (L331p Swalmen),
opschuiven:
opsjuuve (L331p Swalmen),
òpsjūūve (L331p Swalmen)
|
Opschuiven: in een zijwaartse richting schuiven om plaats te maken (opschikken, schavielen, opschuiven). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 25480 |
opslagplaats voor brood |
broodkamer:
broodkamer (L331p Swalmen)
|
Het kan hier gaan om een aparte ruimte voor het opslaan van brood. Daarop wijzen woordtypen als "broodkamer", "broodmagazijn", "broodhok". De informant van L 270 vermeldt inderdaad dat het een ruimte is aansluitend naast de bakkerij. Andere woordtypen als "broodrek", "lader", "broodschap" duiden erop dat deze opslagplaats niet perse een apart vertrek hoeft te zijn. [N 29, 105d; N 29, 105e]
II-1
|
| 19290 |
opspelen |
foeteren:
foetere (L331p Swalmen),
sjamfoeteren:
fr. Jean foutre
sjamfoetere (L331p Swalmen),
uitvallen:
ôetvàlle (L331p Swalmen)
|
zeer boos uitvallen [sjamfoeteren, opspelen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 34020 |
opstaan |
allez-hop:
alęi̯ hǫp (L331p Swalmen),
ju:
jø̜ (L331p Swalmen)
|
Voermansroep om het paard op te doen staan. [N 8, 95j]
I-10
|
| 32936 |
opsteker |
opsteker:
ǫpštē̜kǝr (L331p Swalmen),
ǫpštɛ̄.kǝr (L331p Swalmen)
|
Degene die de schoven met de gaffel,opsteekt naar de tasser op de wagen. Vergelijk de toelichting bij het lemma ''opsteken'' (5.1.3) en het lemma ''opsteker'' (5.1.6) in aflevering I.3, van hooi op de oogstkar. [N 15, 40; monogr.; add. uit JG 1a, 1b] || Degene die het hooi met de oogstgaffel opsteekt naar de optasser op de wagen. [N 14, 121a; A 34, 3a]
I-3, I-4
|
| 32938 |
optassen, vouwen |
laden:
lāi̯ǝ (L331p Swalmen),
tompen maken:
tu.mpǝ mā.kǝ (L331p Swalmen)
|
Het eigenlijke laden van het hooi op de wagen. Vooral op de Kempense ladderkarren, zonder dichte zijschotten (zie het lemma ''hooikar'') is dit laden een zorgvuldig karwei: de bussels hooi worden dan met een draaiende slag, een "vouw", vast tegen elkaar aan gestapeld. Om praktische redenen moest er met zorg geladen worden: er moest immers zoveel mogelijk hooi op de wagen geladen worden; maar ook om redenen van beroepstrots: een goedgeladen oogstwagen is de trots van de boer. Om een slechtgeladen wagen zal hij worden bespot. [N 14, 120; A 34, 6]
I-3
|
| 32939 |
optasser |
lader:
lāi̯ǝr (L331p Swalmen),
lɛ̄i̯ǝr (L331p Swalmen)
|
Degene die, staande op de kar, het hooi van de opsteker aanneemt en het er opstapelt. [N 14, 121b; A 34, 3b]
I-3
|