| 18199 |
openbroek met linten |
boks:
bòks (L331p Swalmen)
|
vrouwen (onder)broek (vero) met zijsplitten en voorzien van linten in de pijpband waarmee de kousen worden vastgemaakt [boks] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18163 |
opereren |
snijden:
sjnieje (L331p Swalmen),
sjnîeje (L331p Swalmen)
|
Opereren: een operatie verrichten (vlijmen, snijden). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 20717 |
opgewarmde koffie |
zauwel:
zawwel (L331p Swalmen)
|
Opgewarmde koffie (schuddebol?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 22402 |
opgooien (tossen) |
opgooien:
opgōjə (L331p Swalmen),
ne Bal -; n kaart -.
opgoje (L331p Swalmen)
|
Het kansspel waarbij een munt opgegooid wordt; de winnaar is degene die goed voorspeld heeft welke zijde (kruis of munt) boven zal liggen [koppelen, letteren, opgooien, omgooien, omroeien]. [N 88 (1982)] || Opgooien, opwerpen.
III-3-2
|
| 34480 |
opgroeiend jong kipje |
pul:
pø̜l (L331p Swalmen),
pulletje:
pø̜lkǝ (L331p Swalmen)
|
Bedoeld wordt het kipje dat niet meer bij de klokhen is maar dat nog niet legt. [N 19, 40c]
I-12
|
| 31500 |
ophaler |
ophaler:
ǫphǭlǝr (L331p Swalmen)
|
Metalen staaf met een vlakke baan met in het midden een uitholling die over de klinknagel past. De ophaler dient om de rand van het gat van de aaneen te klinken delen vlak te slaan waardoor deze tegen elkaar aan komen te liggen. Zie ook afb. 180a. [N 33, 321; N 64, 74b; N 66, 20b]
II-11
|
| 19293 |
ophitsen |
opstoken:
opsjteuke (L331p Swalmen)
|
een persoon of personen aanzetten tot ruzie [opstoken, hissen, opkitsen, oppinnen, opraden, aanlokken] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19255 |
ophouden met het werk |
stoppen:
sjtoppe (L331p Swalmen),
uitscheiden:
oetsjeije (L331p Swalmen)
|
ophouden met werken [afscheiden, uitscheiden, ophouden] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 25150 |
opklaren |
opklaren:
opklaore (L331p Swalmen),
’t klaort op (L331p Swalmen),
optrekken:
optrèkke (L331p Swalmen)
|
opklaren, helder worden [op-, doorweere, optrekken, afzomen, zich klaren, opklaren] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 34356 |
opleppen |
zoeteren:
zø̄tǝrǝ (L331p Swalmen)
|
Een big met koemelk grootbrengen. [N 19, 16; N 19, 15; monogr.]
I-12
|