| 34456 |
onvruchtbare geit |
steenbok:
štęi̯nbuk (L331p Swalmen)
|
De antwoorden kunnen zowel op een onvruchtbare geit in het algemeen duiden als op een onvruchtbare vrouwelijke geit. [N 19, 72; JG 1a, 1b; N 77, 84; monogr.]
I-12
|
| 33682 |
onvruchtbare grond |
magere grond:
māgǝrǝ gronjtj (L331p Swalmen)
|
Grond van slechte kwaliteit. De oorzaak kan verschillend zijn. Het gevolg is echter een slecht landbouwproduct. [N 27, 31; N 27, 29; N 11, 2d; N 11, 2f; A 10, 4; N 6, 33a; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 34151 |
onvruchtbare koe |
kwee:
kwēi̯ (L331p Swalmen)
|
In dit lemma duiden de benamingen niet alleen op een koe die bij de dekking niet is bevrucht maar ook op een rund dat halfslachtig ter wereld is gekomen dat wil zeggen half stier en half koe is. Ook tweeling-runderen zijn vaker onvruchtbaar. [N 3A, 102; N 3A, 103; N 3A, 150h; N 3A, 150i; JG 1a, 1b; A 4, 14; L 20, 14; monogr; add. uit N C]
I-11
|
| 25119 |
onweersbui |
hommelbijs:
homməlbies (L331p Swalmen),
hummelbies (L331p Swalmen),
hommelschuil:
hōmmelsjōēl (L331p Swalmen),
hómmelsjoel (L331p Swalmen)
|
donderbui [SGV (1914)] || onweersbui [SGV (1914)] || onweersbui met veel regen en wind [schoer, donderschoer] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25176 |
onweerx |
hommelweer:
hómmelwèèr (L331p Swalmen)
|
onweer [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 17973 |
onwel |
misselijk:
misselek (L331p Swalmen),
niet goed:
neet good (L331p Swalmen),
nêêt-gôôt (L331p Swalmen),
slecht:
sjlech t`raan (L331p Swalmen)
|
Onwel: zich niet gezond voelend (erg, onwel, onlustig, niet prut, kadies, dings). [N 84 (1981)] || Zich niet lekker voelen (spijten, kruchen, in de lappenmand zijn). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 19218 |
onwennig (voelen) |
zenuwachtig:
zeenewèchtich (L331p Swalmen)
|
nog niet op zijn gemak zijn in een nieuwe toestand [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 23647 |
onzevader |
onzevader:
onze vader (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
Het door de priester gezongen Pater Noster, het Onze Vader. [N 96B (1989)] || Het gebed "Onze Vader", "Pater noster"[Vadder-óns, Vadder-ónzer, noster]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 20557 |
ooft |
ooften:
aofte (L331p Swalmen),
aoftə (L331p Swalmen)
|
ooft; Hoe noemt U: Appelen of peren, in schijven gedroogd (in de oven) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20736 |
ooftvlaai |
ooftenvlaai:
aofteflaaj (L331p Swalmen)
|
Vla met moes van gedroogde appelen (euftevlaoj, zwarte vla?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|