| 33719 |
ontbost terrein met een schop omwerken |
vaardig maken:
vē̜rdex mākǝ (L331p Swalmen),
zuiveren:
zȳvǝrǝ (L331p Swalmen)
|
Het ontboste terrein met een schop omwerken om de achtergebleven wortels te verwijderen. [N 27, 10a]
I-8
|
| 33711 |
ontginnen |
slechten:
šlextǝ (L331p Swalmen)
|
Het in cultuur brengen van woeste grond. [N 27, 5; N 11a, 112; monogr.]
I-8
|
| 17706 |
ontlasting hebben |
afgaan:
aafgaon (L331p Swalmen),
poepen:
Kindertaal.
poepe (L331p Swalmen),
schijten:
sjīēte (L331p Swalmen),
Ordinair.
sjiete (L331p Swalmen)
|
ontlasting hebben [afgon, leutere, driete, zijn gevoeg doen] [N 10c (1995)]
III-1-1
|
| 33002 |
ontsmettingsmiddel |
kalk:
kalk (L331p Swalmen)
|
Het middel, de vloeistof die gebruikt wordt bij het ontsmetten van zaaigraan. Zie ook de toelichting bij het vorige lemma. [N M, 24b]
I-4
|
| 18040 |
ontsteking |
ontsteking:
ontsjtaeking (L331p Swalmen),
zwering:
zwéérring (L331p Swalmen)
|
Ontsteking: plaatselijke infectie van weefsel, lichaamsdelen, gepaard gaande met roodheid, zwelling en pijn (meuk, mik). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 22046 |
ontsteking van de oogleden |
natte ogen:
naate ouge (L331p Swalmen)
|
Hoe noemt U in Uw dialect de volgende ziekten: ontsteking van de oogleden (oogvliesjes)? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 21688 |
ontvangen |
beuren:
beure (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
in het bezit gesteld worden van bijv. geld [beuren, inbeuren ontvangen] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 18858 |
ontzien |
ontzien:
ontzeen (L331p Swalmen),
sparen:
sjpâare (L331p Swalmen)
|
iemand zoveel mogelijk sparen [ontzien, vreeuwen, vieren] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 17927 |
onvast ter been (zijn) |
vazel op de knoken:
vazel oppe knö:k (L331p Swalmen)
|
lopen: onvast ter been [sporrig] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 33544 |
onvolgroeide vrucht |
kraggel:
kraGkel (L331p Swalmen),
WLD
kraGGel (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
Een onvolgroeide vrucht (krots, gast). [N 82 (1981)] || Onvolgroeid, gezegd van een vrucht (vernepen). [N 82 (1981)]
I-7
|