| 18975 |
onfatsoenlijk |
onfatsoenlijk:
onfetsuunlijk (L331p Swalmen),
ôonfàtsûûnlek (L331p Swalmen)
|
in strijd met het fantsoen, met de goede manieren [vies, onfatsoenlijk] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 25621 |
ongaar stuk deeg |
kweernt:
kwērt (L331p Swalmen)
|
Ongaar stuk deeg in het gebakken brood. Vaak zit er een inzinking in het brood als gevolg van dat verschijnsel. Er is een aantal benamingen dat specifiek duidt op "ongaar stuk deeg", een ander aantal duidt op brood met een ongaar stuk deeg", een ander aantal duidt op brood met een ongaar stuk deeg erin, en een derde groep benamingen is bijvoeglijk van aard en zegt iets over de oorzaak van het ontstaan van zo''n ongaar stuk of zegt iets over de toestand van het brood, als een ongaar stuk deeg erin zit. [N 29, 68a; N 29, 68b; monogr.]
II-1
|
| 24360 |
ongedierte, algemeen |
ongesiefer:
òngesiefer (L331p Swalmen)
|
gedierte, klein ~ (verzamelnaam voor insecten, wormen, spinnen enz.) [gediert, ongediert, gewörmt, ongesiefer] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 18901 |
ongehoorzame jongen |
bengel:
bengel (L331p Swalmen),
rotzak:
rôotsak (L331p Swalmen)
|
een ongehoorzame jongen [bengel] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 20927 |
ongel |
schapenvet:
schoapə vet (L331p Swalmen)
|
reuzel [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 18130 |
ongeluk |
ongeluk:
ongelök (L331p Swalmen)
|
Ongeluk: door een misgreep, door vallen gekwetst worden (paret). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 18821 |
ongelukkige |
sul:
sulle (L331p Swalmen)
|
iemand die door het ongeluk is getroffen [stakkerd, duts] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 25057 |
ongeordende hoeveelheid, chaos |
boel:
boel (L331p Swalmen),
ondereen:
nen ôngerein (L331p Swalmen),
rommel:
rôommel (L331p Swalmen),
troep:
troep (L331p Swalmen)
|
boel [SGV (1914)] || een min of meer ordeloze menigte al of niet bijeenhorende zaken [boel, boek, omboel, deel, vracht, schep, scheut, meuk, drommel] [N 91 (1982)] || een verwarde boel [hals, rommel, piëel, warwinkel, werzel, pan] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 21919 |
ongepaarde mannelijke duif |
jonge hoorn:
jonge hâôre (L331p Swalmen)
|
Hoe heet de jonge, nog ongepaarde mannelijke duif? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 21921 |
ongepaarde vrouwelijke duif |
wedezij:
wit zīē (L331p Swalmen)
|
Hoe heet de jonge, nog ongepaarde vrouwelijke duif? [N 93 (1983)]
III-3-2
|