| 21845 |
onbeleefd |
bot:
bôt (L331p Swalmen)
|
niet wellevend, handelend in strijd met de beleefdheid [onbeleefd, bot] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 21846 |
onbeschaafd |
lomp:
lômp (L331p Swalmen)
|
ruw, niet beschaafd [lomp, loer, boers, onbeschoft, nut] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 21792 |
onbeschaamd |
onbeschaamd:
onbesjaamd (L331p Swalmen),
ôonbesjââmp (L331p Swalmen)
|
geen schaamtegevoel hebbend [ekstrant, onbeschaamd] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 21441 |
onbetrouwbare koopman |
schoft:
eine sjōēf (L331p Swalmen)
|
Inventarisatie uitdrukkingen voor: scheldwoorden of misprijzende woorden kent uw dialect voor een weinig koopkrachtig en onbetrouwbaar koopman [kremmer, toesser, ruilebuiter, voorsnijer?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 25149 |
onbewolkt |
klaar:
klaor (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen,
L331p Swalmen),
uitgekeerd:
oetgəkéért (L331p Swalmen)
|
onverduisterd in licht, schijn of glans [helder, klaar, licht] [N 91 (1982)] || wolkenloos, zonder wolken, gezegd van de lucht [uitgekeerd, uitgeklaard, klaar] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 25092 |
onbruikbaar maken, verbruien |
bederven:
bederve (L331p Swalmen),
verruneren:
vérranneweere (L331p Swalmen)
|
onbruikbaar maken, zijn waarde doen verliezen [verworden, verdraaien, begaaien, verbruien, bederven, verpeuteren, nonen, verballemonden] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 21857 |
onbruikbare voorraad |
bocht:
bôch (L331p Swalmen),
rommel:
roommel (L331p Swalmen)
|
allerlei slechte en onbruikbare voorraad [breggel, plodder, bocht, bagage] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 34608 |
onderbak |
lade:
lāi̯ (L331p Swalmen)
|
Onder de kar opgehangen laadvloertje. [N 17, 86]
I-13
|
| 24637 |
ondereinde van de stam |
boks:
bôks (L331p Swalmen),
voet:
WLD
vôot (L331p Swalmen)
|
Het dikke uiteinde van de stam, onderaan (voet, kont, gat, kop). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 18401 |
ondergoed |
ondergoed:
òngergōod (L331p Swalmen)
|
ondergoed, onderkleren [t onderdinge] [N 25 (1964)]
III-1-3
|